Interview: God is niet te vangen

Interview: God is niet te vangen

In het boek God is niet te vangen gaat dominee Jan Offringa in gesprek met zijn gemeenteleden. Het levert een unieke publicatie op. Jan Offringa licht zijn boek toe:

1. Waarom heb je dit boek geschreven? Had je er een bepaald doel mee? Wil je iets in kaart brengen?
Tijdens mijn predikantschap (vanaf 1986) heb ik altijd veel aandacht besteed aan de thematiek van geloof en twijfel, toegespitst op de vraag welke belangrijke inzichten de moderne theologie hier aanreikt. Het doorgeven c.q. populariseren van wat hedendaagse theologen in binnen- en buitenland zoal te melden hebben, doe ik graag in preken en kringenwerk. Uiteindelijk heb ik dat samengebracht in het boek Na een gezonde geloofscrisis. Over modern geloven (2008, derde druk 2013).

Mijn streven was: niet meer dan 100 pagina’s, en toegankelijke taal. Het eerste lukte volledig, het tweede gedeeltelijk. Want het boek is goed verkocht en veel gebruikt in gesprekskringen, maar af en toe bleek uit reacties of tijdens lezingen dat men het nog best pittig vond. Kan het nog een slag eenvoudiger en toegankelijker, vroeg Evert van Baren, in die tijd de voorzitter van mijn kerkenraad. Komt het niet nog een stap dichterbij als je met een aantal gemeenteleden in gesprek gaat over hun geloof en twijfel?

Zo ben ik rond een aantal thema’s (één per persoon) met dertien mensen aan de slag gegaan, in een intensief en uitermate boeiend proces. Toen ik daarmee bezig was – met Evert als meelezer op de achtergrond – zagen we dat er meer ontstond dan een reeks mooie individuele geloofsverhalen. Er ontvouwde zich een veelkleurig beeld van een moderne geloofsgemeenschap anno 2014. Een staalkaart van wat er speelt bij mensen die bij de kerk zijn gebleven maar ondertussen niet stil bleven staan in hun geloof.

Hoe gaan ze om met hun vragen en twijfel, wat raakten ze kwijt en hebben ze hervonden, hoe beleven ze hun samen kerk-zijn? Ik hoop dat het boek individuele lezers inspireert, en collega’s en kerken stimuleert een vergelijkbaar proces in gang te zetten.

2. In dit boek wordt theologie bedreven, maar op een nieuwe manier. Niet theologen die uitdenken hoe het geloof in elkaar steekt, maar gewone kerkmensen die vertellen wat zij geloven. Wat vind je van deze (jouw) nieuwe insteek?
Eigenlijk gebeurt er meer. Kerkmensen vertellen niet zomaar even wat ze geloven, maar worden uitgedaagd dit weloverwogen te formuleren.
Omdat de dialogen – na een eerste ‘echt’ verkenningsgesprek – verder per mail zijn opgebouwd, hebben ze steeds een flinke bezinningsperiode. Ook krijgen ze van mij meerdere keren een  – meestal sterk theologisch gekleurde ‒ reactie die hen opnieuw aan het werk zet. Dat levert een niveau van bezinnen en dialogiseren op dat ik tot nu toe weinig heb meegemaakt in mijn gemeentewerk.
Het ene nieuwe van deze insteek is dus dat gemeenteleden veel beter uit de verf komen en het beste uit zichzelf halen. Het andere nieuwe is dat de voorganger niet het eerste – laat staan het hoogste ‒ woord heeft in allerlei geloofskwesties, maar zich vooral laat leiden door het geleefde geloof en ongeloof van zijn gemeente, en dit als uitgangspunt neemt.

Natuurlijk heb ik zelf ook een duidelijke inbreng, maar in alle verhalen krijgen de gemeenteleden bewust het laatste woord. Dat is een kwestie van de ander optimaal serieus nemen, zoveel mogelijk als gelijkwaardige gelovigen optrekken en zo min mogelijk het gevaar lopen de ander te overrulen met je eigen waarheid c.q. theologische kennis of visie.

In de pastorale praktijk is dat misschien niet zo nieuw (hoop ik), als theologie in boekvorm wel!

3. Daar op volgend: heeft een theologie van theologen nog toekomst? Of zal het in de komende eeuw om het ervaringsgeloof van gewone mensen gaan?
Aan goede theologen is volop behoefte, zeker in deze tijd van secularisatie en – om het met Charles Taylor te zeggen – royaal aanwezig exclusief humanisme.
Wel is het de vraag of de academische theologie niet meer en meer losraakt van wat gewone mensen op de werk- en kerkvloer bezighoudt. Het verbaast mij dat niet veel theologen zich meer verdiepen in en schrijven over de huidige crisis in het westers christendom. Of dat men in een boek als de Christelijke dogmatiek kan doen alsof er weinig aan de hand is met de geloofwaardigheid van de klassieke leer.

Ik krijg wel eens de indruk dat academische theologen na hun emeritaat – als ze los zijn van strakke onderzoeksprogramma’s – hun beste boeken schrijven. Maar laat ik ze niet tegen elkaar uitspelen: ik denk dat het belangrijk is dat predikanten vanuit hun kerkelijke praktijk een eigen manier van theologiseren ontwikkelen die veel sterker ervaringsgericht is en aansluit bij wat er leeft aan (on)geloof in de kerk. Ik hoop dat dit boek laat zien hoe boeiend dat is.

4. In jouw boek blijkt dat gelovigen dogma's massaal hebben opgegeven. Zou je de mensen uit jouw gemeente vrijzinnig willen noemen? En wat zegt dit over het vrijzinnige gehalte van de PKN?
Het aardige is dat ik mijn gespreksgenoten in eerste instantie benaderde op de noemer van ‘twijfelaars’, maar dat ze zichzelf daarin niet herkenden.
Vrijzinnig is ook geen term die ze zich toe-eigenen, maar het is ook geen woord dat ze uit de weg gaan. De beperkingen van zulke hokjes zijn bekend.
In het algemeen is hun houding: we zijn door de twijfel heengegaan, en hebben een nieuwe vorm van geloven gevonden. Minder stellig, maar niet minder waardevol, integendeel. De meesten duiden hun nieuwe manier van geloven als winst. En waar de nodige vragen bestaan bij de kerkelijke dogmavorming rond Christus, leeft onder de meesten van hen een sterk godsbesef.

Zelf duid ik hen en mezelf liever als moderne gelovigen, aansluitend bij de gangbare begrippen van moderniteit en postmoderniteit. Daar staan we midden in en zijn we mee in gesprek. Het woord vrijzinnig gebruik ik zelf niet graag, met name omdat het bij anderen verkeerde associaties oproept (‘gelovigen die er met de pet naar gooien’). Ook kent de vrijzinnigheid uitschieters die mij niet kunnen bekoren.

Als je het oude onderscheid tussen links en rechts vrijzinnig van stal zou halen, kun je mij en meerdere anderen  bij de laatste groep indelen.

Maar laten we er niet te moeilijk over doen. Het mag duidelijk zijn dat de PKN voor de helft klassiek-orthodox is (bonds/confessioneel/evangelicaal) en voor de andere helft midden-orthodox/modern/vrijzinnig. Waar sommigen verwachten dat het eerste deel op den duur de meerderheid gaat vormen, denk ik juist het tegenovergestelde. Grote delen van de orthodoxie zullen een veranderingsproces doormaken zoals beschreven wordt in dit boek.

5. Welke antwoorden hebben jou het meest verrast?
In het algemeen viel me op hoe vrij – je zou bijna zeggen: hoe vrijzinnig – mensen omgaan met de traditie. Ze hebben geen behoefte daar rancuneus afstand van te nemen, maar zoeken op ontspannen wijze hun eigen weg.
Dat de belijdenissen en leerregels van de Reformatie (predestinatie & providentie) niet populair zijn, wist ik wel. Maar dat ook de christologische dogma’s van de vroege kerk weinig bijval krijgen, vond ik vrij opvallend.

Onverwacht was voor mij dat een van de deelnemers op bijna laconieke wijze inbracht wel iets voor reïncarnatie te voelen. Dat wist ik niet van hem, terwijl ik hem al jaren ken. Hierdoor vroeg ik me af of het toch een soort taboe is in de kerkelijke wereld (met name richting predikanten) om zo’n onverwachte voorkeur ter sprake te brengen.

Verrassend was voor mij ook de oude baas die pleit voor een moderne bijbelherziening in de vorm van een derde testament.
En de jongere vrouw die door ons het gesprek ontdekt dat ze wel dingen wonderlijk vindt, maar niet in wonderen gelooft. Ook is bijzonder dat ze beseft het niet meer te redden met ‘that old time religion;’, maar dat ze die oude zekerheid ook mist.

Verder was het grappig om te ervaren dat kompaan Evert van Baren, die ooit natuurkunde studeerde, de nodige vraagtekens stelt bij de reikwijdte van het verstand, terwijl ik als theoloog juist een pleidooi houd voor wat meer nuchterheid in kerk en theologie.
Tegelijk blijkt dat we allebei weer weinig ophebben met het ‘reductiedenken’ van de moderne atheïsten of materialisten.

Keer op keer blijkt iemand achtergrond en levenservaring een grote rol te spelen in zijn of haar geloofsbeleving en –doordenking. Ook dat laat dit boek op allerlei momenten zien.

godisniettevangen
God is niet te vangen
Jan Offringa
Uitgeverij Skandalon
(meer informatie)






Foto: Sandra van Spelde

Deel dit

Steun de VVP

Laat de vrijzinnige vlinder vliegen.

WORD DONATEUR

Zoeken

Contact

Vereniging van Vrijzinnige Protestanten
Joseph Haydnlaan 2a 
3533 AE Utrecht                       
030-8801497
info@vrijzinnig.nl
Klik hier voor meer contactgegevens

twitter310facebook

   

 



Agenda

23 Nov 2017
Apeldoorn Regentessekerk

Introductie in de Amerikaanse vrijzinnigheid


23 Nov 2017
Assen Odd Fellowhuis

Lezing 'Gemeenschap scheppen'


23 Nov 2017
Oudshoornse Kerk

Lezing ´Muziek van vrouwelijke componisten´


Column

  • Column: Alles kapot!

    Beeldenstormen. Het is van alle tijden. Soms kan het nuttig zijn, maar meestal is het ingegeven door angst, aldus Foekje Dijk.