Column: Ontboezemingen over de oorlog en de bevrijding

Column: Ontboezemingen over de oorlog en de bevrijding

Bert Jansen denkt terug aan de oorlogsjaren en de bevrijding. Wat heeft hij toen ervaren? 

Of opa zich nog iets kon herinneren van de oorlog en de bevrijding, vroeg mijn kleinzoon onlangs. Zijn juf had ’t er in de klas over gehad. ‘Opa’s en oma’s’, had ze gezegd, ‘kunnen jullie daarover vast meer  vertellen’.

Ik krabde mij achter het oor, want de oorlog, dat was al zo lang geleden en ik was nog een kind. Toch heb ik een poging gewaagd, op het gevaar af dat mijn herinneringen gekleurd zijn.

In de oorlog ging alles in Zwolle, waar ik opgroeide, ogenschijnlijk zijn gewone gang. Mijn vader moest elke dag naar zijn werk. En ik ging naar de lagere school. Maar mijn ouders maakten zich zorgen over de oorlog. Als kind voelde je die spanning. Ik associeerde ‘oorlog’ dan ook met gevaar, dreiging.

Mijn tien jaar oudere broer liep het risico dat hij moest graven voor de Duitsers. Om zich daarvoor te beschermen, had hij zich thuis verstopt op een tussenverdieping. Mijn moeder bond mij op het hart hierover naar buiten toe, vooral naar de Duitsers in onze straat,  mijn mond te houden. Angst dat hij verraden zou worden.

Later kregen we inkwartiering van twee Duitse soldaten. Toen moest mijn broer uiteraard het huis uit. Hij kreeg een veilige plek bij één van mijn ooms in Heerde, waar hij fietsbanden maakte van versneden autobanden.

Als ik boodschappen moest doen, moest ik altijd bonnen meenemen, want al het voedsel was gerantsoeneerd. Soms stuurde mijn moeder mij tussen de middag naar een gaarkeuken op het erf van de buren. We stonden dan als kinderen in de rij voor een portie warm eten,  dat de Nederlanders, die daar werkten voor de Duitsers, over hadden.

Nee, wij hebben geen last gehad van de hongerwinter, zoals de mensen uit de Randstad. Diverse keren overnachtten vrouwen uit het Westen bij ons, die bij de boeren eten hadden gehaald. Ze gingen dan die dag daarop met een volle tas weer naar huis, in de hoop dat ze niet werden aangehouden.

Het was bij ons ook geen vetpot. Ik moet nog kokhalzen van die vieze broodpap, die we enige keren per week aten. Verjaardagen werden spaarzaam gevierd. Een cadeautje was meestal geen speelgoed, maar iets nuttigs, een paar kousen bijvoorbeeld. En een beschuit met een laagje pudding ging door voor een gebakje.

Mijn vader was een verstokte roker. Toen tabak niet meer te krijgen was, kweekte hij in het tuintje achter ons huis tabaksplanten. Later droogde hij die en versneed ze tot tabak. Ik weet ook nog dat hij wel nog één of twee keer de afgebrande lucifer hergebruikte door hem in het vuur van de kachel aan te steken.

De Jodenvervolging is aan ons voorbijgegaan. Dat komt misschien ook omdat in onze wijk geen Joden woonden. Later, veel later, na het lezen van het dagboek van Anne Frank, ben ik erachter gekomen, hoe zwaar het Joodse volk geleden heeft.

De oorlog maakte een dusdanig indruk op ons als kinderen, dat we heel vaak soldaatje speelden. We hadden dan van stokken geweren gemaakt. Het imitatiespel is van alle tijden en een oorlog maakt daarop geen uitzondering.

De spanning was thuis heel sterk voelbaar als  ‘s nachts Engelse bommenwerpers, op weg naar het Ruhrgebied, door Duitse zoeklichten voor ons huis werden opgespoord en door kanonnen werden beschoten. Mijn vader droeg mij dan altijd naar beneden, dat voel ik nog, in afwachting van wat zou gebeuren.

Mijn vader zat niet in het Verzet.  Het bedrijf waar hij werkte, onderhield echter banden met de illegaliteit. Daar kwamen de Duitsers achter. Daarom werd mijn vader, na een streng verhoor, samen met de andere personeelsleden de laatste maanden van de oorlog gevangen gezet in het kamp Lutten. Voor ons een moeilijke tijd. Ik herinner me nog dat mijn moeder elke dag met ons bad voor een behouden thuiskomst.  En gelukkig, hij kwam veilig thuis, omdat hij kans zag te vluchten tijdens de mars naar een kamp in Duitsland.

Van de bevrijding weet ik niet zoveel meer. Een geallieerde soldaat sprong van tuin tot tuin om de buurt te zuiveren van de Duitsers. Die kwamen op fietsen uit alle hoeken en gaten tevoorschijn.

De oorlog was gelukkig voorbij, de spanning week. Als voor ons kinderen die bevrijding al zo’n opluchting was, hoeveel te meer zal dat dan voor onze ouders geweest zijn.

Bert Jansen
oud-voorganger

Deel dit