Is God liefde of is de Liefde God?

Is God liefde of is de Liefde God?

Is God liefde? Of is het juist andersom: Liefde is God? En wat is het verschil? Wim Jansen duikt er dieper op in. 

God is liefde. Die kennen we! Zo goed dat het bijna sleets is. In recente artikelen en preken heb ik het omgedraaid en verkondigd dat de Liefde God is. Letterlijk beweerde ik: ‘Het is niet zo dat er een wezen ‘God’ is met de eigenschap ‘liefde’, nee, de liefde is in zichzelf goddelijk, en kun je, als je wilt, God noemen.’ Deze uitspraak ontlokte een toch vrijzinnige hoorder de opmerking: ‘Dat is mij een brug te ver. Als je begint met de liefde blijft er niets van God over. Er is een wezenlijk verschil tussen ‘God is liefde’ en ‘Liefde is God.’  

De vermaarde theoloog Miskotte schijnt gezegd te hebben: ‘God is liefde – maar dat mag je nooit omdraaien.’ Wanneer iemand als Miskotte dat zegt moet je stevig in je schoenen staan om het tegendeel te beweren. Ik waag het er toch op. Ik kan namelijk niet anders meer.
Waarom niet?

Aanname
Mijn hoorder had gelijk: er is een wezenlijk verschil tussen ‘God is liefde’ en ‘Liefde is God’. Die twee uitspraken zijn zeker niet inwisselbaar. Ik weet niet wat het argument is geweest achter Miskottes bewering, maar ik vermoed dat het te maken heeft met dat van mijn hoorder: ‘Als je begint met de liefde blijft er niets van God over.’
Het zou kunnen, maar is dat erg?

De uitdrukking ‘God is liefde’ is theïstisch, d.w.z. gaat uit van de aanname dat er een ‘wezen’ God moet zijn. De liefde is dan een attribuut van dat wezen. Daar ligt nu precies voor veel mensen van nu een onneembare barrière. Je komt dan terecht in discussies uit het verleden over het al dan niet bestaan van God. Discussies die al snel ontaarden in – nooit sluitende – Godsbewijzen of evenmin overtuigende speculaties als destijds de tekst op het bord langs de A4: ‘Er is waarschijnlijk geen God, durf zelf te denken en  geniet van het leven.’ 
Een formulering als deze laatste zegt overigens het nodige over het godsbeeld van wie dit heeft bedacht! Van welke kerk heeft die afscheid genomen?

Een andere barrière wordt opgeworpen door de aloude vraag van de theodicee: hoe kan een God die liefde is zoveel kwaad en lijden toelaten? Op die vraag is nog nooit een bevredigend antwoord gevonden. En met de bewering dat ‘God liefde is’ zal die vraag blijven opduiken. Hij is er onlosmakelijk mee verbonden.    

Ervaring
In beide vragen heb ik als theoloog lange tijd mijn partijtje meegeblazen. Tot ik erachter kwam dat ik zelf eigenlijk nooit bij de aanname van ‘het bestaan van een God’ begonnen ben. Vanaf mijn vroegste jeugd was het de ervaring die mij leidde naar het woord ‘God’. Nota bene, niet naar een wezen ‘God’ maar naar het woord ‘God’. Welke ervaring?
In mijn puberteit betrof het vooral schoonheidservaringen. Het overweldigende, felle geel en de zoete geur van een bloeiend koolzaadveld in mei. De zon die als een zacht rode schijf onderging achter de nevel. Morgenlicht in de zomer… Later werd het meer innerlijk. Onbestemd heimwee. Een plotseling gevoel van intense vrede. Een stil verdriet dat bijna overging in blijdschap. En nog weer later? Onmiskenbaar de liefde. 
Wat gebeurde er dan?

Kenmerkend voor al die ervaringen was het overstijgende. De verwondering, de ontroering, de verrukking – alle gemoedsaandoeningen die overvloeien in lofprijzing. In het uitroepen van het enige woord dat daar uitdrukking aan geeft: God!
Zo is mij uiteindelijk de Liefde als het ultiem overstijgende overkomen. Het alles te boven gaande. De top over de top van het mens zijn. Zowel de erotische liefde – die zeker! – als ook wat ik ‘mystieke liefde’ ben gaan noemen: het innerlijke vuur, de gloedvolle energie die de ziel verwarmt en verlicht.     
Het is de ervaring van de Liefde die het woord ‘God’ genereert in de orgastische verzuchting: mijn God!

De discussies voorbij
Deze ultieme ontroering van de Liefde – als overstijgend Fremdkörper in de evolutie – behoeft geen aanname bij voorbaat, geen vooronderstelling van een Opperwezen ergens in het universum. En ontwijkt zodoende de theïstische klippen die voor de moderne mens onaanvaardbaar zijn. Vanuit de Liefde redenerend, dus vanuit de ervaring, heb je niet eerst een ‘Godsbewijs’ nodig. De Liefde is het heilige, het transcendente, het ‘meer’ – en zij is voorhanden, een verifieerbare werkelijkheid die ook voor de moderne mens een werkelijkheid is. En voor de meeste mensen ook de meest relevante en hoogste werkelijkheid.

Van daaruit kan je wel uitkomen bij het woord ‘God’, maar dat hoeft niet. In de theologie noemen we dat anatheïsme: voorbij aan zowel theïsme als atheïsme. Het woord ‘God’ is weer wat het oorspronkelijk was: metafoor voor een onbenoembare, overstijgende werkelijkheid. Met het relativeren of zelfs het verdwijnen van het woord ‘God’ wordt de werkelijkheid waarnaar dat woord verwijst niet aangetast, maar komt juist beter aan het licht. Wordt namelijk niet langer gehinderd door een verplichte aanname noch door de vraag van de theodicee. Ook deze klip wordt omzeild. Er is immers geen sprake meer van een almachtige God die in de spagaat gehouden wordt tussen het kwaad en de liefde.
De Liefde, de scheppende Liefde, is God – en die kan niet verantwoordelijk zijn voor het kwaad.

Dat is een heel andere manier van spreken over God dan we vanuit de traditie gewend zijn, een manier die wel eens heel bevrijdend zou kunnen zijn voor mensen van nu. Toen ik enkele jaren geleden in Middelburg hierover een druk bezochte lezing hield bleek dat ook. Veel van de aanwezigen reageerden echt opgelucht en zagen zogezegd weer mogelijkheden voor God. Of, zoals de Ierse priester Richard Kearny het noemt: returning to God after God.    
God voorbij God, want voorbij aan de zinloze discussie over het bestaan van God en aan de onoplosbare vraag naar het kwaad en het lijden in de wereld.

Getuigen
Natuurlijk hoeven mijn kritische hoorder en de lezers dezes dit niet aan te nemen van ene Zeeuwsvlaamse boerenzoon die ook nog Jansen heet, maar misschien willen ze er wel eens over nadenken vanwege onderstaande getuigen. Want natuurlijk is het niet nieuw. Ik begon met Miskotte op te voeren die waarschuwde voor de omkering, maar er zijn andere plaatsen en namen die de omkering juist ondersteunen.
Zelfs in het Oude Testament vinden we God achteraan als soortnaam. Bijvoorbeeld Psalm 100:3, die spreekt van ‘JHWH, die is God’ – is daarin geen sprake van eenzelfde ‘anatheïstische omkering’? JHWH, de ervaren openbaring van een ‘stem’, die je God noemt?

Ook Paul Tillich heeft dit in de vorige eeuw al aangekaart: ‘Als het woord (God) voor u niet veel inhoud heeft, vertaal het en spreek van de diepte van uw leven, van de bron van uw wezen, van uw einddoel, van wat u zonder enig voorbehoud ernstig neemt. Om dat te kunnen moet u wellicht alles vergeten wat u gewoontegetrouw over God hebt geleerd, misschien zelfs het woord zelf.’

Etty Hillesum worstelt met het Godwoord en komt vaak intuïtief tot de anatheïstische omkering. Op meerdere plaatsen in haar dagboek komen we het zinnetje ‘noem ik God’ tegen en dan doelt ze op het onbenoembare in haar diepste wezen. Het woord ‘God’ als toespitsing van liefde, licht, ruimte, rust in haarzelf. Met als meest bekende voorbeeld het prachtige, door mij vaak geciteerde: ‘Dat allerdiepste, allerrijkste in mij, waarin ik rust, dat noem ik God.’ 

Tenslotte de theoloog Eugen Drewermann die expliciet pleit voor de omkering: ‘In plaats van een God van liefde als “Scheppergod” te vooronderstellen om de wereld te verklaren moeten wij juist de liefde als goddelijk vooronderstellen’

Bovenstaande citaten effenen de weg naar een onbevangen en vrij gebruik van het Godwoord. Het Godwoord als poëzie, zoals daar ook in de momenteel veelbesproken term ‘theopoëtica’ sprake van is.

Zelf kies ik daarbij voor de ultieme lofprijzing van de liefde: Liefde is God.

Wim Jansen
Emeritus predikant

Deze column verscheen eerder op Ongrond.nl 

Deel dit