Kerstcolumn: Licht en donker

Kerstcolumn: Licht en donker

Alke Liebich kijkt in haar kerstcolumn naar de kleine lichtjes in de wereld: ze verlichten nauwelijks en toch zijn ze belangrijk. 

Geert Mak beschrijft in Hoe God verdween uit Jorwert de donkere wereld van vroeger. ‘Vanaf 1763 stonden er vijf straatlantarens, elk met één kaars. Futiele, bijna zinloze lichtbronnen, maar bij dit soort lantarens ging het niet om het licht. Een vlammetje op een drie meter hoge paal – een magisch teken, een bijna troostend bewijs van orde in de wijde stille duisternis.’

De onvoorstelbare donkerte was kolossaal. Buiten de steden was er geen licht, en ook uit de huizen kwam nauwelijks licht naar buiten. Men was er zuinig mee. Een oud dagboek vertelt: toen Leeuwarden in 1845 overging op straatverlichting op gas dacht men in de omliggende dorpen dat er brand was, zo lichtede de stad. (Voor de liefhebbers: in hoofdstuk III, Het wankele koord)

Licht is het eerste scheppingswoord. Daarmee begint alles en wordt het leven in gang gezet. Dat weet elke bioloog, maar ook iedereen die de bijbel openslaat op de eerste bladzijde.

Het leven was het licht voor de mensen, zo dicht Johannes aan het begin van het naar hem genoemde evangelie. Licht speelt een centrale rol rondom de kortste dag van het jaar en de zonnewende.

Goddelijk licht is verborgen in de wereld – misschien wel verborgen, bescheiden en troostend als de allereerst straatlantarens. We steken het weer aan, een voor een en dan uitbundig: het kerstfeest baadt in het licht. Goddelijk licht heeft voorgoed zijn plek in de wereld: in mensen van goede wil, het licht op in de thora, het laat zich niet meer ontkennen. De duisternis zal het niet in zijn macht krijgen.

Alke Liebich
Predikant van de Johanneskerk in Amersfoort en voorzitter van de VVP Nederland

Deel dit