Rutger Kopland

Rutger Kopland

Bij het overlijden van Rutger Kopland

Psalm

Dan zullen deze geluiden wind zijn,
als ze opstijgen uit hun plek, dan
zullen ze verwaaien, zijn ze wind.

We hebben geademd en onze adem was
als zuchten van adem om een huis,

we hebben gepreveld en onze lippen
prevelden als een tuin in de regen,

we hebben gesproken en onze stemmen
dwaalden als vogels boven een dak.

Omdat wij onze naam wilden vinden.
Maar alleen de wind weet de plek
die wij waren, waar en wanneer.

(Uit: Geduldig gereedschap, 1993)

Hoewel Rutger Kopland niet kerkelijk was, vond zijn werk een weg naar menig christelijke eredienst.

Ook ik lees hem graag, ook in de kerk. Zijn verzen met verwijzingen naar psalm 23 bijvoorbeeld, of de gedichtencyclus over G. Hij schreef woorden die schitterend passen in een liturgie met ruimte voor mystiek en voor vragen.

Maar ook op andere momenten in mijn werk als predikant heb en had ik baat bij de gedichten van Kopland. Bovenstaand vers vormde eens het uitgangspunt voor een prachtig pastoraal gesprek over wat leven is en wat de dood daarin betekent. Ontroerende herinneringen heb ik eraan.

Daarnaast heb ik veel geleerd van het voorwoord dat de dichter zelf schreef bij de bundel ‘Herinneringen aan het onbekende’ (een bundel die werd samengesteld ter gelegenheid van de toekenning van de P.C. Hooftprijs aan Kopland). In die tekst schrijft hij: “De dichter probeert niet iets tot uitdrukking te brengen dat al helemaal klaar lijkt te liggen in zijn hoofd, integendeel, hij wil iets opschrijven, wat helemaal niet klaar ligt. Iedere regel waaraan hij ziet dat de betekenis hem bekend is, waavan hij denkt: dat wist ik al, schrapt hij. Hij probeert iets op te schrijven wat hij nog nooit heeft gelezen. Op het moment dat de dichter denkt, nu ik dit lees, lees ik wat anders dan wat ik ooit bedoeld heb, op dat moment is het gedicht af. Hij herkent een onbekend stuk van zichzelf. En als men hem vraagt, waar gaat dit gedicht nu eigenlijk over, zal hij zeggen: ik weet het niet, alleen het gedicht kan vertellen waar het over gaat.”

Hij schrijft over poëzie natuurlijk en over de hoogstpersoonlijke interpretaties daarvan. Maar ik herken er ook iets in van wat religieuze ervaring met een mens doet. Ik hoop dat religie mensen precies dat brengt: dat ze een onbekend stuk van zichzelf herkennen. Zonder het exact te kunnen duiden, of misschien zelf wel helemaal niet. Maar te weten dat je geraakt wordt door wat groter is dan je eigen hart en tegelijk onlosmakelijk deel uitmaakt van jezelf.

En wanneer ik voor mag gaan in kerkdiensten is dat, geloof ik, mijn grootste streven: dat er woorden gesproken, dat er muziek klinkt en dat er stilte is die mensen bij dat geheim brengt: het onbekende stuk van hun leven waar tegelijk de kern van dat leven verborgen ligt.

En bij dat streven zijn dichters voor mij een onmisbare hulpbron. En een van de belangrijkste daarvan is voor mij Rutger Kopland.

Kim Magnee-de Berg

Deel dit