De details van Bruegels winters

De details van Bruegels winters

Wat zien we in de winterse schilderijen van Piet Bruegel? Hebben we oog voor de kleine details in de schilderijen? 

Pieter Bruegel de Oude stierf in 1669, bijna 350 jaar geleden. Hij is nu vooral bekend om zijn vaak kluchtige boerentaferelen, maar hij schilderde ook allegorische en bijbelse voorstellingen. Daarnaast was hij een talentvolle grafisch kunstenaar en belangrijk als landschapsschilder. Zo was hij een pionier in de traditie van het winterlandschap, een genre waarin vele schilders hem zouden volgen en dat vaak wordt afgebeeld op kerstkaarten.

bruegel1

Het is winter en bar koud. De hemel is grauw en de bomen zijn kaal. Een dik pak sneeuw ligt op de grond en op de daken van de huizen. Drie jagers sjokken vermoeid en teleurgesteld door de sneeuw de heuvel af naar het dorp beneden. Hun enige vangst is een magere vos. De sneeuw toont echter sporen van een haas of konijn: een betere prooi die kennelijk is ontkomen. Er is dus geen reden voor de jagers om bij de herberg te stoppen voor een vrolijk opwarmertje. Zelfs de honden tonen hun verslagenheid met hangende kop en staart.

Bruegels atmosferische schilderij ‘Jagers in de sneeuw’ is meer dan alleen maar een landschap. Hij laat ons niet alleen de kou zien, maar ook voelen, waardoor we beseffen hoe zwaar het was vroeger om zulke harde winters te overleven voor zowel mens als dier. En toch zijn er lichtpuntjes, want in de verte wordt op het ijs geschaatst, gesleed, en kolf gespeeld alsmede een vorm van ‘curling’. Er wordt brandhout verzameld en er is voedsel, ook al hebben de jagers niets eetbaars gevangen, want buiten voor de herberg links is net een varken geslacht: in het vuur worden de borstels afgeschroeid en in het grote vat is het bloed opgevangen voor verdere bereiding. Ook al is het hartje winter, toch gaat het leven door en over enkele maanden zal de lente zich weer aankondigen, zoals ieder jaar.

De jaargetijden

We weten niet precies waar of wanneer Pieter Bruegel de Oude werd geboren: waarschijnlijk tussen 1525 en 1530, misschien in Breda of in de Noord-Brabantse plaats Breugel. In 1551 werd hij als meesterschilder ingeschreven in het Sint-Lucasgilde in Antwerpen, maar al een jaar later vertrok hij via Frankrijk naar Italië. Zijn reisindrukken en vooral de landschappen die hij onderweg tegenkwam, vinden we vaak terug in zijn werk. Zo lijkt ‘Jagers in de sneeuw’ op het eerste gezicht wel gesitueerd te zijn in een Vlaams dorp, maar de bergen in de verte lijken eerder op de Alpen.

In 1555 was Bruegel weer terug in Antwerpen, waar hij vooral als grafisch kunstenaar werkte. Acht jaar later verhuisde hij echter naar Brussel, waar hij trouwde met Mayken Coecke, dochter van zijn Antwerpse leermeester Pieter Coecke van Aelst. Intussen legde hij zich steeds meer toe op schilderen en kreeg hij opdrachten van belangrijke verzamelaars, zoals de orthograaf Abraham Ortelius en de Antwerpse bankier Nicolaes Jonghelinck. Voor Jonghelinck schilderde hij ‘De jaargetijden’, een serie van zes schilderijen waarvan ‘Jagers in de sneeuw’ het begin vormde. Het toont waarschijnlijk de maanden december/januari, gevolgd door de voorlente (februari/maart), de lente (april/mei), de vroegzomer (juni/juli) en de zinderende hoogzomer (augustus/september) met ‘De korenoogst’. De serie werd afgesloten met de herfst (oktober/november) in het sombere schilderij ‘De terugkeer van de kudde’, dat zich samen met ‘Jagers in de sneeuw’ en ‘Donkere dagen’ in Wenen bevindt. Daar vindt deze herfst en winter een belangrijke overzichtstentoonstelling van Bruegels werk plaats.

Oog voor detail

Wat mij persoonlijk altijd fascineert in Bruegels werk zijn de kleine details. Neem nu dat uithangbord bij de herberg in ‘Jagers in de sneeuw’. Het hangt scheef aan één haak en trekt daarmee onze aandacht. Als we goed kijken, zien we de naam ‘Dit is inden Hert’ onder een voorstelling van Sint Eustachius knielend voor een hert. Deze heilige was, net als Sint Hubertus, schutspatroon van de jacht, waarmee Bruegel het thema van het schilderij bevestigt en meteen een subtiel religieus element erin aanbrengt. Bruegel leefde ten tijde van de Beeldenstorm, de Reformatie en het begin van de Tachtigjarige Oorlog, al weten we niet hoeveel sympathie hij hiervoor had. Een van zijn opdrachtgevers was immers kardinaal Granvelle, aartsbischop van Mechelen, en Bruegel zelf woonde en werkte inmiddels in Brussel waar Margaretha van Parma als regent zetelde namens koning Filips II.

bruegel2

Oog voor detail is ook een vereiste om een ander sneeuwlandschap van Bruegel te kunnen begrijpen dat vele malen zou worden gekopieerd: nu nog kennen we tenminste dertien kopieën van dit schilderij door zijn zoon Pieter Brueghel de Jonge. De ‘Volkstelling te Bethlehem’ (ook te zien op de voorpagina van dit nummer)  in Brussel lijkt opnieuw een zestiende-eeuws Vlaams dorp in de sneeuw te tonen. De zon gaat als een rode bal onder achter de kale bomen. Een aantal platte schuiten liggen vastgevroren in het ijs. Terwijl sommigen met zware lasten door de sneeuw en over het ijs ploeteren en een groep mannen in de verte een schuur bouwt, amuseren anderen zich met sneeuwbalgevechten, tollen, schaatsen en sleeën. Ook worden er links varkens geslacht: geen bezigheid die je zou verwachten in het bijbelse Bethlehem. Vlakbij heeft zich een grote groep mensen verzameld voor een herberg, die herkenbaar is aan de krans die boven het raam hangt. De reden voor het oploopje is de volkstelling die gehouden wordt door een ambtenaar achter een tafel onder het raam, die tegelijkertijd belasting lijkt te innen. Een subtiel detail is het ingelijste rode wapenbord net onder het dak met daarop een tweekoppige zwarte adelaar op een gouden schild met daarboven de keizerskroon en eronder de keten van het Gulden Vlies: een visuele verwijzing naar de Habsburgse macht die Bruegels tijdgenoten meteen zullen hebben herkend en die misschien bedoeld was om het tafereel nog herkenbaarder te maken?

Ook het werkelijke onderwerp van dit schilderij is heel subtiel weergegeven. Tussen de karren onder in het midden nadert een man met een zaag over zijn schouder, die een os en een ezel leidt. Op de ezel zit een vrouw gehuld in een blauwe mantel. Het zijn Jozef en Maria, net aangekomen in Bethlehem om te ontdekken dat er voor hen geen plaats is in de herberg. Bruegel toont de vooravond van het bekende kerstverhaal, maar niemand lijkt zich daarvan bewust. Voor de dorpelingen is het slechts een gewone koude winterdag, op die volkstelling na dan. Alleen wij als toeschouwers kennen de kersttraditie en beseffen de betekenis van dit kleine moment.

Sophie Oosterwijk studeerde Engels in Leiden en promoveerde in kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Leicester (Engeland). Ze heeft als docent en onderzoeker gewerkt aan diverse universiteiten in Engeland, Schotland en Nederland, zoals aan het Medieval Memoria Online (MeMO)-project in Utrecht. Als freelance onderzoeker en spreker geeft ze lezingen over o.a. Jeroen Bosch en Pieter Bruegel.

Dit artikel verscheen eerder in VrijZinnig, kwartaalblad van de VVP. Geïnteresseerd? Mail info@vrijzinnig.nl voor een proefabonnement

Deel dit