Podcast: Sport - geen bal aan?

Podcast: Sport - geen bal aan?

Leden van Vrijzinnig Centrum Vrijburg in Amsterdam maken elke week een podcast over levensbeschouwelijke onderwerpen. Deze week: welke vergelijkingen zijn er tussen sport en religie? 

Geschreven door Herman Vinckers
Voorgelezen door Gert van Drimmelen
Geluidsmontage Seth Mook

Beluister de podcast hier, of lees de tekst onder de player:

 

Ooit hoorde ik een orthodox gelovige smalend afgeven op mensen die op zondagochtend niet naar de kerk gaan, maar sporten. Afgoderij van het lichaam, dat was het. De zondag was immers bedoeld voor onderhoud van de geest. De zondag was voor kerkgang en het gezin. 

Gaan sport en geloof überhaupt samen? ‘Dominee en wielrenner’ Jan Holtslag van de Hervormde Gemeente Giessenburg beantwoordt op zijn website vragen van gemeenteleden, ook van iemand die worstelt met zijn fascinatie voor sport: ‘Ik merk dat sport, op welke manier dan ook, zo gemakkelijk mijn gedachten in beslag neemt. En dan met name mijn eigen ik. Want ik wil graag fit zijn, een goede conditie hebben, gezond leven en er goed uitzien. Misschien niets mis mee, maar leef ik dan tot Gods eer?’ In zijn uitgebreide antwoord schaart Holtslag sport onder de hobby’s, net zoiets als ‘het aanleggen van verzamelingen, het lezen van boeken, het luisteren naar muziek, het bijwonen van concerten, gamen en welke hobby’s iemand ook maar mag hebben.’ In de rangorde van wat belangrijk is in het leven komen hobby’s volgens Holtslag echter pas op de vijfde plaats, na God, het gezin, het werk en de kerk. En zoals het een goed Hervormde dominee betaamt, wijst hij het twijfelende gemeentelid verder op weg met een Bijbeltekst uit de Herziene Statenvertaling, 1 Timotheüs 4:8: ‘Want de oefening van het lichaam is van weinig nut, maar de godsvrucht is nuttig voor alle dingen, omdat zij de belofte van het tegenwoordige en van het toekomende leven heeft.’ Ofwel, de oefening van het lichaam heeft alleen voor het lichaam nut en is dus tijdelijk, terwijl godvrezendheid voor nu én voor later nuttig is.

Dit soort overwegingen zijn nooit in mijn hoofd opgekomen toen ik op mijn openbare middelbare school zat. Maar ik worstelde ook volop met sport, want ik vond er gewoon niks aan. Gymnastiek was het enige vak waarbij ik weleens spijbelde. Van rondjes rennen rond de gigantische sportvelden kreeg ik steek in mijn zij, en balsporten leidden altijd tot paniek: Wat moet ik… in godsnaam… doen? Als er een team werd samengesteld werd ik als laatste gekozen en bij voetbal zette men me maar in het doel, zodat ik zo min mogelijk schade kon aanrichten. Dacht men… 

In het artikel ‘Een kleine theologie van de sport’ maakt Frits de Lange een onderscheid tussen de hedendaagse topsport en sport ‘als een sociale praktijk waarbij het lichaam van de deelnemers tot inzet wordt gemaakt van een competitief spel.’ Sociaal dus, want zelfs wie in zijn eentje sport, doet dat altijd voor een denkbeeldig publiek tegen een denkbeeldige tegenstander – misschien wel zichzelf. Wellicht het belangrijkste kenmerk van sport is dat het spel is, een belangeloze activiteit die alleen omwille van het beoefenen zelf waarde heeft. Als er te veel op het spel staat, is het geen spel meer. Wie niet na afloop van een wedstrijd kan zeggen: ‘Het was maar een spelletje’, heeft in De Langes ogen niet aan sport gedaan.

Hoe anders is het met topsport, waar het speelse element bijna geheel ontbreekt en commerciële belangen de boventoon voeren. En, we hebben het de laatste tijd veel in het nieuws kunnen zien, topsport is vaak ongezond en soms ronduit gevaarlijk voor jonge sporters. De liefhebbers van topsport krijgen er van De Lange op hilarische en sterk overtrokken wijze ongenadig van langs: ‘Sport is – behalve voor de paar gladiatoren in de ring, die het lichaam als hun kapitaal exploiteren – een passief schouwspel geworden voor de chips- en bierverslindende happy consumer. (..) Al nemen deze tv-kijkers na twee doorwaakte weken dikbuikig, kortademig, met hoge bloeddruk en met een gevaarlijk cholesterolgehalte afscheid van een toernooi, toch hebben zij voor hun gevoel aan sport gedaan. (..) Sport is in onze cultuur immers geen activiteit die je moet doen, maar een symbool waaraan je moet participeren, een sacrament dat heilzaam is, omdat anderen er plaatsvervangend voor lijden.’

Ach, het zal allemaal wel. Uiteindelijk is het best nog wat geworden tussen de sport en mij. Tegenwoordig ga ik zelfs door voor een ‘sportief persoon’, met mijn kwartmarathons, achtste triatlons, Rondjes Pampus en wandel- en fietsvakanties. En ik vind het allemaal nog leuk ook! Bal- en teamsporten laat ik wijselijk zoveel mogelijk links liggen, laat mij maar lekker in mijn eentje sprinten, spinnen en spetteren – met vooral mijn eigen luie lichaam als tegenstander. Ik hoef niet zo nodig te winnen. Als ik aan een wedstrijd meedoe, is mijn belangrijkste doel deze op een beetje aangename manier ten einde te brengen. ‘Jij bent niet ambitieus genoeg’, is me weleens voor de voeten geworpen. Dat klopt, waar het sport betreft. Waar het mij om gaat is dat ik in beweging ben, of, zo je wilt, dat ik speel. En wie theologisch gesproken speelt, aldus Frits de Lange, viert de schepping. Als dat op een zondag moet gebeuren – veel georganiseerde sportevenementen zijn op zondag – dan moet dat maar af en toe op een zondag. Al bedrijf ik mijn sporten bij voorkeur doordeweeks, zodat ik ’s zondags alle ruimte heb voor het bezoeken van een dienst en activiteiten met familie en vrienden

Deel dit