Vrijzinnige predikanten in het verzet

Vrijzinnige predikanten in het verzet

Talloze vrijzinnig hervormde predikanten zaten tijdens de Tweede Wereldoorlog in het verzet of boden in de pastorie onderdak aan joodse onderduikers.

Dat blijkt uit de lijst ‘Overzicht van predikanten die joden hielpen’, samengesteld door het HDC Centre for Religious History. Daarop staan honderden predikanten die zich in de jaren 1940-1945 bezig hielden met de illegaliteit. Ook veel vrijzinnigen komen op de lijst voor.

Verboden voor joden

Bijvoorbeeld dominee Jan Egens Cannegieter. Tijdens de oorlog was hij vrijzinnig predikant in het Groningse Eenrum.

Van begin 1941 mochten joden zich niet meer laten zien in openbare gelegenheden. Overal verschenen borden met daarop de tekst ‘Verboden voor Joden’. In Eenrum moest er ook een komen bij de ingang van de Oude School dat eigendom was van de hervormde gemeente.

In de kerkenraad hield dominee Cannegieter een meditatie over Matth. 11: 28: ‘Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt en ik zal u ruste geven’, waarbij hij de nadruk op het woord ‘allen’ legde. Het evangelie is er voor iedere mens, ongeacht zijn levensstaat, aldus de predikant.

De kerkenraad schaarde zich achter de stellingname van Cannegieter en veertien dagen later kwam de reactie dat dankzij het algemene verzet de beschikking over het plaatsen van het bordje aan kerkelijke gebouwen was ingetrokken.

Tora-rollen in de pastorie

Veel predikanten boden in hun (vaak ruime) pastorie onderdak aan één of meerdere joodse onderduikers. Zo zijn er verhalen over predikanten die tijdens de oorlogsjaren met hun gezin in slechts twee kamers woonden omdat de andere ruimtes in de pastorie bezet werden door onderduikers.

De vrijzinnige predikant Jan Zuurdeeg deed iets anders. Hij verstopte in zijn pastorie in Hilversum zes wetsrollen van de plaatselijke synagoge.

Papieren christenen

Gerbrand Westmijse, voorganger van de VVH in Rotterdam, leerde over een bijzondere bepaling die joden vrijstelt van transport naar de vernietigingskampen als zij ‘eine christliche Religion angehörig sind’. Met andere woorden: niet langer joods zijn.

Op een avond verzamelden zich maar liefst vijftig joden in zijn verduisterde woning waar hij een korte preek hield, waarna de aanwezigen werden geregistreerd als lid van de hervormde gemeente. Als ‘papieren christenen’ waren de joden relatief veilig.

Moord in de pastorie

Een schrijnend verhaal vond plaats in de hervormde pastorie in Zweeloo. Dominee Carel Pijpers bood onderdak aan meerdere joodse onderduikers, waaronder het echtpaar Arbeid. Hun zoon raakte echter in paniek, kon waarschijnlijk de spanning niet aan en dreigde naar de politie te gaan om alles op te biechten. Liever open kaart spelen dan in angst leven.

Dat was een uiterst gevaarlijke situatie en het predikantenechtpaar zag geen andere mogelijkheid dan de zoon, met behulp van het verzet, te vergiftigen. Hij werd begraven in het kolenhok.

Jarenlang droeg dominee Pijpers het afschuwelijke geheim met zich mee, maar in 1959 onthulde hij het in een brief aan de officier van justitie. Omdat het om een uitzonderlijke situatie ging, werd de predikant niet vervolgd.

Liever vrijzinnig

Paulus Borgers was luthers predikant, maar hij sympathiseerde met zijn vrijzinnige collega’s die actief waren in het verzet. Zelf bad hij elke zondag voor de koningin en de vervolgde joden en werd daarom in 1944 gearresteerd.

Van hem is het volgende citaat bewaard gebleven: ‘Ik hoorde van een dominee, die zei: “Ik bid maar niet voor de joden. God weet dat immers toch wel, hoe ik erover denk. Dat hoeven wij niet te zeggen”. Zeker, dat is in ieder geval veiliger, maar die dominee is een lafbek.’

Tegen degenen die meenden dat het toch niet hielp wanneer er bij de Duitse bezetter werd geprotesteerd, omdat de Jodentransporten toch niet werden gestaakt, zei Borgers: ‘Naar mijn gevoelen heeft dit protest, zoal niet voor de joden, dan toch voor de kerk groot nut gehad. De kerk heeft haar stem dan doen horen tegen gruwelijk onrecht. Zij heeft gesproken daar waar zwijgen verloochenen was’.

Er waren er ook die meenden dat een sterke bemoeienis van de kerk met de daden van de overheid, tegen de geest van Luther was. Borgers zei dan: ‘Zou dit niet de geest van Luther zijn, welnu, dan richten we ons in dit geval niet naar Luther, (…) In dat opzicht voel ik me één met de vrijzinnigen.’

Deel dit