'Wonderverhalen maken geloven leuker'

'Wonderverhalen maken geloven leuker'

Dominee Stephan de Jong schreef een boek over wonderverhalen. Waarom? Hebben die onrealistische verhalen ons dan nog iets te vertellen? 

Waarom heb je een boek geschreven over wonderen?  

De eerste reden is dat ik verhalenverteller ben. Ik vertel graag volksverhalen en wonderen zijn daarin heel gewoon. Ze maken een verhaal verrassend en speels en zorgen meestal voor een goede afloop. In de kerk beginnen we bij een wonderverhaal meestal moeilijk te kijken. In plaats van ervan te genieten, verprutsen we die verhalen vaak door ze meteen te willen ontmythologiseren.  

De tweede reden is dat ik het rationele, overzichtelijke protestantse wereldbeeld een beetje zat ben. Het is allemaal zo braaf; moderne protestanten zijn materialisten geworden - alles is herleidbaar tot de materie. Nu was ik overigens ook zo'n protestant: een brave aanhanger van de gedachte dat God buiten de materiële werkelijkheid staat. En tot op zeer grote hoogte ben ik dat nog altijd. Maar ik wilde uitzoeken of er ideeën zijn die mijn denken kunnen opschudden.  

Wat zijn wonderen eigenlijk?   wonder

Wonderen zijn glibberdingen. Ze glippen weg uit elke definitie. Als je zegt dat wonderen tegennatuurlijke gebeurtenissen zijn, blijven ze toch deel uitmaken van de natuur en zijn dus niet tegennatuurlijk. Als je zegt dat wonderen daden van God zijn die tegen de door Hem zelf geschapen natuurwetten ingaan, zit je met een grillige God die tegen zichzelf ingaat.

Overigens, je zit ook nog met de vraag of je ooit zou kunnen vaststellen dat iets een daad van God is. Door onder meer dit soort problemen geeft elke auteur die ik onderzocht een eigen antwoord op de vraag wat een wonder is.  

Een paar voorbeelden. Augustinus meende dat wonderen mogelijkheden zijn van de natuur. In die natuur liggen wonderen als zaden te wachten om te ontkiemen. Thomas van Aquino zag er daden van God in die daarmee niet tegen de natuur ingingen maar eromheen. Søren Kierkegaard en Rudolf Bultmann beschouwden wonderen als louter geestelijke gebeurtenissen: dat een mens tot geloof komt. Eugen Drewermann legt weer een wat ander accent: een innerlijke bevrijding van angst door hervonden vertrouwen. Lucianus van Samosata vond wonderen gewoon bedrog. De tendens bij veel mensen nu is om gewoon verrassende gebeurtenissen een wonder te noemen; een inflatie van het wonderbegrip dus. 

Wat hebben vrijzinnigen met wonderen? Kunnen wij er wel wat mee?  

Ik beschouw mijzelf als een mystieke (of misschien beter: bevindelijke) vrijzinnige gelovige. Anders gezegd, ik ervaar Gods aanwezigheid in en om mij heen, maar neem de vrijheid om daar zo kritisch en vrij mogelijk over na te denken.

In de moderne, vrijzinnige theologie is de fysieke kant van het wonder altijd sterk gerelativeerd. Er werd en wordt aan het wonder vrijwel altijd een geestelijke betekenis gehecht - zie Bultmann, Drewermann, Ter Linden en anderen. Tot op grote hoogte ga ik zelf daar trouwens in mee. Maar werkelijk vrijzinnig denken maakt daar geen dogma van.

Volgens mij behoort het bij de vrijzinnige positie ervan uit te gaan dat God om al onze systemen, filosofieën en ideetjes lacht. Daarom bekijkt een vrijzinnig gelovige de eigen standpunten eveneens met een zekere humor. Nadenken over het wonder levert scepsis op ten aanzien van wonderverhalen, maar doordenken over wonderen levert ook scepsis op ten aanzien van de eigen scepsis.

'Laat God meer zijn dan een stukje van onze denkwereld,' schreef de remonstrantse theoloog Eginhard Meijering. Reflectie op wonderverhalen stellen mijn kritische geloof onder kritiek. Ofwel: ze relativeren mijn onbetwijfeld vrijzinnige geloofsdenken. 

 Ben je door het boek meer in wonderen gaan geloven?  

Kan dat, meer of minder in wonderen geloven? Je gelooft het of niet, zou je zeggen. Maar daarmee beland je in een oude valkuil. Vaak wordt het denken over wonderen teruggebracht tot de vraag: geloof je in wonderen of niet? Er zijn geen massieve antwoorden mogelijk op dit soort vragen. Ik zal dat illustreren aan het opstandingsverhaal, het christelijke wonderverhaal bij uitstek. 

De vraag of ik geloof dat het wonderverhaal van Pasen waar is, kan ik alleen beantwoorden vanuit verschillende invalshoeken. Omdat ik nu eenmaal de wereld en ook het wonder op meer manieren waarneem. Mijn 'hoofd' - de rationele invalshoek - kent verschillende overwegingen. Dat een lijk na drie dagen herleeft, lijkt me natuurkundig onmogelijk. Anderzijds zijn er historische argumenten voor de opstanding: dat het graf leeg was kon ieder zien, dat de leerlingen later stierven voor hun overtuiging maakt niet aannemelijk dat ze die overtuiging uit hun fantasie haalden.

Mijn morele denken - een andere invalshoek - vindt het onrechtvaardig dat God de een wel en de ander niet van de dood redt. Waarom die willekeur? Tegelijk relativeer ik mijn morele bezwaar: waarom zou God er dezelfde morele standaards als ik op na moeten houden?

Mijn 'hart' - een meer gevoelsmatige invalshoek - kent het oude verlangen dat de dood niet de laatste werkelijkheid is. Daar schuilt ook de hoop die wil rekenen met een open einde aan de geschiedenis, ook de geschiedenis van een mensenleven. En ergens fluistert de liefde: jij mag niet sterven, jij bent te kostbaar.  

Kort door de bocht gezegd: mijn 'hoofd' betwijfelt het opstandingsverhaal ernstig. Mijn 'hart' kijkt, tegen alle twijfel in, met hoop naar het opstandingsverhaal. Ik kan niet anders dan zo'n meerduidig antwoord geven, omdat mijn perceptie van de werkelijkheid dat ook is. 

Mijn boek eindigt met een zin die ook voor het wonder van Pasen geldt: 'Het wonder is een voortdurend ons ontsnappende onmogelijkheid.' 

 Hebben we wonderen en verhalen over wonderen nodig?  

Lees de wonderverhalen als verhalen. Schiet daarbij niet te gauw in de rationele vraaghouding van 'waar gebeurd of niet?' Wonderverhalen dragen het verlangen in zich naar een intens op mens en wereld betrokken God.

Geef ze de gelegenheid je mentale wereld op te wrikken. Laat je verrassen door hun wereld vol onmogelijke mogelijkheden. De meeste wonderverhalen in de christelijke traditie willen verlangen wekken, boven onszelf uitwijzen, ons het onverwachte doen verwachten, hoop wekken. Ze worden verteld niet om een frons boven onze ogen te toveren, maar om een glimlach rond onze ogen te doen ontstaan en die ogen te doen twinkelen. Wonderverhalen maken geloven leuker. Kortom, lees ze met simpel, naïef plezier. 

Stephan de Jong is predikant van de protestantse gemeente Oudemirdum, Nijemirdum en Sondel. 
Zijn boek 'Een kleine geschiedenis van het wonder' verschijnt bij uitgeverij Skandalon

 

Deel dit