Vrijzinnig geloven

 

VVP

Overdenking 7 augustus 2022

Overdenking 7 augustus 2022

Nel Verburg heeft op zondag 7 augustus 2022 voor de dienst de overdenking geschreven. Omdat niet iedereen naar de kerkdiensten kan komen heeft zij de overdenking opgestuurd. Dan kunt u meelezen terwijl u de dienst terugkijkt via kerkomroep.
 
 
  • Inleiding
 
Een citaat van Heinz Zahrnt, een Duitse theoloog en publicist:
 
Als de hele wereld ooit brood zal hebben, dan zal dat te danken zijn aan mensen die niet van brood alleen leven.
 
  • Eerste lezing. Spreuken 30: 1 - 9
 
De uitspraken van Agur
Hier volgen de woorden van Agur, de zoon van Jake,
dit zijn de uitspraken die hij heeft gedaan.
Ik ben zo moe, mijn God, zo moe, ik kan niet meer. -
Ik ben dommer dan ieder ander,
elk menselijk inzicht ontbreekt mij.
Ik heb geen wijsheid opgedaan,
van de Heilige weet ik niets.
Wie is naar de hemel geklommen en weer afgedaald?
Wie heeft de wind met zijn handen gevangen?
Wie heeft het water in zijn mantel gebonden?
Wie heeft de grenzen van de aarde bepaald?
Noem mij zijn naam, en de naam van zijn zoon,
als je die kent.
Elk woord van God is getoetst,
hij is een schild voor wie bij hem hun toevlucht zoeken.
Voeg niets aan zijn woorden toe,
anders straft hij je en blijk je een leugenaar.
Twee dingen vraag ik u,
gun ze me zolang ik leef:
Houd me ver van leugen en bedrog.
Maak me niet arm, maar ook niet rijk,
voed me slechts met wat ik nodig heb.
Want als ik rijk zou zijn, zou ik u wellicht verloochenen,
zou ik kunnen zeggen: ‘Wie is de ENE?’
En als ik arm zou zijn, zou ik stelen
en de naam van mijn God te schande maken.
 
  • Psalm 18: Ik heb U lief, couplet 1, 9 en 15
 
  • Tweede lezing. De paddenconferentie, een gedicht van Robert-Jan Henkes uit de bundel ‘Wit als een wat’
 
De paddenconferentie
 
Er was een conferentie
Van padden in de stad
En Zijne Excellentie
Opende het debat:
 
'Padden aller landen,
Weest u even stil!
U bent in goede handen,
Zeg mij wat u wil!'
 
De padden gingen praten
Maar het bleek algauw
Dat iedereen in hoge mate
Heel iets anders wou.
 
'Ik wil een paard,' zei Ruiterpad.
'Ik wil een fiets,' zei Rijwielpad.
'Ik wil een zwaard,' zei Oorlogspad.
'En ik wil niets,' zei Hazenpad, en verdween zonder een spoor.
 
'Doe mij maar stenen,' zei Zandpad.
'Stoplichten voor mij,' zei Zebrapad.
'Ruimte voor mijn benen,' zei Gangpad.
'En ik wil eindelijk vrij,' zei Dievenpad, en hij vluchtte ervandoor.
 
Bospad wou lanen, Slingerpad lianen,
Rechtepad wou kronkels, Kronkelpad wou recht,
Wandelpad wou landingsbanen, netjes aangelegd,
Koffiepad wou suikerklontjes, Levenspad wou avontuur.
 
Zijpad wou niet recht maar rondjes, Recht van
Overpad een hekje op den duur -
Wie er niets zei, dat was Schildpad:
Die had alles wat hij ooit gewild had.
 
  • Tussentijds 207: De wijze woorden en het groot vertoon
 
 
  • Overdenking
 
Ik ben zo moe, mijn God, zo moe, ik kan niet meer. Een burn-out is kennelijk niet alleen iets van onze tijd. Agur, de zoon van Jake, leed er ook onder. Hij leefde zo’n 500 jaar voor Christus, maar wie hij was weten we niet. Zijn naam komt verder nergens in de bijbel voor. Misschien een in die tijd bekende wijsheidsleraar, die echter verder niet in de Hebreeuwse bijbel genoemd wordt. Men heeft wel gedacht dat hij van buiten Israël kwam, maar zijn identiteit blijft onduidelijk.
 
Het boek Spreuken is genoemd naar de eerste zin: Hier volgen de spreuken van Salomo. Samen met de boeken Job en Prediker behoort Spreuken tot de geschriften. Wijsheidsliteratuur, waarin de grote levensvragen centraal staan. De teksten komen uit verschillende tijdperken en mogelijk ook uit verschillende landen. Salomo was het voorbeeld van een wijze leraar, maar dat wil niet automatisch zeggen dat de uitspraken ook door Salomo gedaan zijn. Zijn naam wordt genoemd om het belang van de tekst te onderstrepen.
 
Het thema van het boek Spreuken is wijsheid na te streven door ontzag voor de eeuwige te hebben. Het gaat om praktische wijsheid, om alledaagse levenskunst. Daarbij staan bescheidenheid, geduld, mildheid en zorgvuldigheid voorop.
 
Ik ben zo moe. In de tekst die we lazen lijkt dat niet een vermoeidheid door een dag hard werken of na een bergwandeling. Het lijkt om een ander soort moeheid te gaan. Een vermoeidheid die dieper zit, die niet over is na een nacht goed slapen. Waar worden wij dan zo moe van?
 
Misschien van veel tobben, een hoofd vol zorgen hebben. Over onszelf, hoe het verder met ons moet. Of hoe het verder moet met onze kinderen en kleinkinderen. In wat voor wereld die opgroeien. Of hoe het nu verder moet met de kerk.
Misschien is het de moeheid van ouder worden. Onze energie stijgt niet mee met onze leeftijd. Misschien worden we zo moe door het verdringen van onze angst voor machteloosheid, overbodigheid, afhankelijkheid.
Misschien van jong zijn. We horen nu juist vaak dat jonge mensen een burn-out hebben en maanden-, soms zelfs jarenlang uit de running zijn. Door volle agenda’s, het willen voldoen aan hoge verwachtingen, deadlines.
 
 
We kunnen zo moe worden van onszelf, van ons redeneren, discussiëren, betogen. Onze besprekingen lijken zo vaak op een paddenconferentie.
Een conferentie waarin we alleen maar roepen wat we willen. En dan blijkt algauw dat iedereen in hoge mate heel iets anders wil.
 
Bewondering als we hoog te paard willen zitten.
Het gelijk aan onze zijde als we op oorlogspad zijn.
Oogkleppen als we met niets of niemand te maken willen hebben.
Zevenmijlslaarzen als we ons leven ervaren als lopen door mul zand.
Een rem als we maar doorhollen.
Ruimte als we ons knel voelen zitten tussen tegenstrijdige belangen.
Vrijheid als we ons in een keurslijf voelen zitten.
Nette gebaande paden als we de weg kwijt zijn. De mogelijkheid om te verdwalen als we vastzitten in de sleur van alledag.
Een plek om te landen als we ons nergens thuis voelen, rust als we ons opgejaagd voelen, avontuur als we nooit eens iets spannends meemaken.
 
En al die dingen roepen we vaak door elkaar heen. Met groot vertoon bouwen we luchtkastelen op onze pauwentroon. Zonder te luisteren naar een ander en zonder dat iemand naar ons luistert. Wij spreken niet zelden voor onze beurt, berijden onze dierbare stokpaardjes, presenteren onze mening en hebben de mond vol over 'hoe het moet en hoe het niet moet'. Wij praten heel veel, maar zijn niet altijd veelzeggend. Wij luisteren niet zelden maar half. Hoe weinig begrijpen we de weg van een ander als we die enkel vergelijken met ons eigen pad. Als we alleen ons perspectief zien. We horen wat we horen willen en gaan verder waar we gebleven waren. En daar worden we heel moe van. Of boos, of verdrietig,
of beledigd. Ons ego loopt een deuk op.
 
Maar wie zegt: ik ben dommer dan ieder ander? Elk menselijk inzicht ontbreekt mij. Ik heb geen wijsheid opgedaan, van de Heilige weet ik niets en daardoor ben ik zo moe. Maar wat heeft kennis van de Eeuwige dan te maken met onze vermoeidheid? Die vraag stelt Agur zich.
Misschien was het zo dat Agur wel met de Eeuwige omging, maar het hem tot nu toe weinig deed. Jarenlang leefde hij in de wetenschap dat die Ene, de bron van alle leven er was, maar zijn hart werd er niet door geraakt. En dus raakte hij niet uit zijn doen door de gedachte dat God de wind in de holte van Zijn hand vastheeft. Hij raakte niet bewogen door de wetenschap dat de Ene in de slip van Zijn mantel alle oceaanwater van de wereld kan bergen. Zijn hart sloeg geen slag sneller toen hij eens hoorde dat God voor de mensen de grenzen op de aarde heeft bepaald. Wel horen over de Eeuwige, maar Hem niet beleven.
 
Dat is een voedingsbodem waarop ook onze moeheid kan groeien.
Want dan staan we er alleen voor. Verbinding verbroken, de verbinding tussen de Eeuwige en onze ziel. Alsof er tussen God en ons een grote glazen wand staat: we zien en horen alles, maar we zijn net te ver weg om het zelf aan te raken en te beleven. Dan vergeten we dat we gedragen worden, juist als we moe en uitgeput zijn. Want de Eeuwige is niet moe, is niet uitgeteld, is niet afwezig, is niet ver bij ons vandaan.
 
De Heilige, het Geheim, de Bron, daar hebben we geen woorden voor,
hoe intelligent we ook zijn. Wie is naar de hemel geklommen en weer afgedaald? Wie heeft de wind met zijn handen gevangen? Wie heeft het water in zijn mantel gebonden? Wie heeft de grenzen van de aarde bepaald? Noem mij zijn naam, als je die kent.
 
Een soortgelijke tekst staat aan het eind van het boek Job. Job heeft God aangeklaagd en Hem zijn ongeluk verweten. Dan antwoordt God hem uit een storm: “Sta op Job, Ik zal je ondervragen. Zeg mij wat je weet.
Waar was jij toen Ik de aarde grondvestte? Vertel het me als je zo veel weet. Wie stelde haar grenzen vast. Jij weet dat toch?” God spreekt lange tijd en dan zegt Job: “Werkelijk, ik sprak zonder enig begrip over wonderen te groot voor mij om te bevatten.” En hij herroept zijn grote woorden.
 
Agur herhaalt deze woorden, in alle bescheidenheid. Net zoals Jaap Zijlstra dat deed in zijn gedicht ‘Vragenderwijs’.
 
Ik vroeg: wie is de goudsmid van de zon,
wie gaf de sterren de ruimte,
wie plantte de maan in het veld van de nacht?
Ik vroeg wie gaf visie aan mijn ogen,
kleur aan het gras, toonhoogte aan de vogels?
Wie heeft het denken bedacht?
Wie het luisterend oor?
Wie heeft de zinspelen in de mond gelegd?
Zeg het mij met zijn woorden.
Want voor hem klopt een hart in mijn keel.
 
Hij zal het zeggen met Zijn woorden, dat is met Zijn naam: ik zal er zijn.
Zijn Naam. De Naam. Een schild voor wie bij Hem hun toevlucht zoeken. Een beschermende laag. We hoeven zelf geen schild mee te nemen,
geen harnas te dragen, we hoeven niet bang te zijn. Vertrouwen op die Naam, dat is genoeg.
 
Dan klopt voor Hem een hart in onze keel. Niet uit angst, want wie vertrouwen heeft is niet bang. Wel uit eerbied, ontzag, respect.
Dan zullen we niet meer vragen om bewondering of avontuur, oogkleppen of zevenmijlslaarzen. Dan hoeven we niet meer altijd gelijk te krijgen. Dan hoeven we ook niet meer te vragen om ruimte of vrijheid, want die ervaren we dan al. We weten welke weg we te gaan hebben.
Net als de schildpad. Daarom zei hij ook niets. Die had alles wat hij ooit gewild had. Geen snelheid, geen schoonheid, geen slimheid. Maar wel: een schild, rust, bescherming, veiligheid.
 
Dan kunnen we moe zijn, tobben en twijfelen, maar we zullen ervaren dat we gedragen worden. Zoals David zong in psalm 18, woorden die Agur herhaalt: Ik heb U lief, ENE, mijn rots, mijn bevrijder, bij U kan ik schuilen, mijn schild. Kracht die mij redt. U leidde mij weg uit de nood en gaf mij ruimte. U bent het die mijn lamp doet schijnen. U verlicht mijn duisternis, een schild bent U voor wie bij U hun toevlucht zoeken.
 
Dat betekent niet dat we dan alles van de Heilige moeten weten,
liever niet zelfs. De naam van de Eeuwige is in de bijbel onuitsprekelijk en dat wil ook zeggen dat die zich niet laat vastgrijpen, niet laat vangen in woorden, hoe mooi die ook mogen klinken. De Eeuwige ziet ons daarom niet als dom, maar als waardevolle mensen, bruikbaar in Zijn hand.
Onze moeheid staat Hem niet in de weg om een appel op ons te doen.
Hij is onze kracht als we moe zijn, de kracht die in onze zwakheid woont. Hij draagt ons op de momenten waarop we niet verder kunnen. Wij zijn niet uitgerangeerd, onze moeheid is bij de Eeuwige bekend. Als we ons hart daarvoor openen kan die moeheid aanleiding zijn tot nieuwe groei, nieuwe verdieping, het vinden van nieuwe wijsheid.
 
Dan gaan we anders leven, we zullen onszelf niet meer overschreeuwen, onszelf niet en de ander niet. Dan willen we onze angsten onder ogen zien in plaats van die zo ver mogelijk weg te stoppen. We leren omgaan met wat voorbij is, met dat het voorbij is. Dan gaan we minder praten,
maar proberen stil te zijn en op te letten - wat een ander bedoelt - wat er achter woorden en achter een verhaal schuil gaat. Dan zullen we de wil hebben om de ander te begrijpen. Niet vanuit ons eigen, maar vanuit haar of zijn perspectief. Om te helpen op de schijnbaar zo hulpeloze manier van luisteren. Luisteren naar problemen waarvan we weten dat we ze niet op kunnen lossen. We kunnen lijden niet wegnemen, we kunnen de gebeurtenissen waarover mensen verdriet hebben niet ongedaan maken, we kunnen de kracht die ze vroeger hadden niet terug geven.
Maar we kunnen beginnen met dat onvermogen toe te geven en zo naast iemand gaan staan. Het gaat om aanwezig blijven, de ander niet alleen laten, ook als we niets kunnen doen, juist als we niets kunnen doen.
 
Dan zullen we zeggen: Houd me ver van leugen en bedrog. Maak me niet arm, maar ook niet rijk, voed me slechts met wat ik nodig heb.
Want: als de hele wereld ooit brood zal hebben, dan zal dat te danken zijn aan mensen die niet van brood alleen leven.
 
Aan mensen die weten dat rijkdom risico’s met zich meebrengt, het zijn sterke benen die weelde kunnen dragen. En geluk zit niet aan de buitenkant, maar in de binnenkant. Gelukkige mensen zijn tevreden met met wat ze hebben. Zij willen delen. Zonder angst tekort te komen,
omdat zij vertrouwen op die Naam, Ik zal er zijn. Dat is geen geloof in het luchtledige. Het is samen. Die Naam wil zeggen dat er in ons en op ons wordt vertrouwd. Dat er in ons wordt geloofd. En dat we dat niet moeten vergeten. Die Naam gaat vooraf aan onze naam. Eerst ‘Ik zal er zijn en dan ons antwoord; wij zullen er ook zijn. Voor onszelf, voor elkaar en voor de Eeuwige.
 
Wij mogen leven in het vertrouwen dat we gehoord, gezien en gekend worden. Ook als we moe zijn. De Eeuwige is ons schild, onder Zijn vleugels rusten wij. Dat klinkt bijna te mooi om waar te zijn, maar
 
Wie denken durft dat deze droom het houdt
een vlam die kwijnt maar niet zal doven
wie zich aan deze dwaasheid toevertrouwt
al komt de onderste steen boven:
die zal kreunen onder zorgen
die zal vechten in ’t verborgen
die zal waken tot de morgen dauwt
die zal zijn ogen niet geloven.
 
Amen.
 
 

Deel dit