Vrijzinnig geloven

 

VVP

Overdenking 12 december 2021

Overdenking 12 december 2021

Nel Verburg is op zondag 12 december voorgegaan in de Houtrustkerk. Omdat niet iedereen naar de kerkdiensten kan komen heeft zij de overdenking opgestuurd. Deze kunt u lezen terwijl u de dienst terugkijkt via kerkomroep.
 
Thema: Wachten, waken, werken
 
  • Eerste lezing. Mattheüs 25: 1 -13.
 
Dan zal het met het koninkrijk van de hemel zijn als met tien meisjes die hun olielampen hadden gepakt en eropuit trokken, de bruidegom tegemoet.
Vijf van hen waren dwaas, de andere vijf waren wijs.
De dwaze meisjes hadden wel hun lampen gepakt, maar geen extra olie.
De wijze meisjes hadden behalve hun lampen ook olie in kruiken bij zich.
Omdat de bruidegom op zich liet wachten, werden ze allemaal slaperig en dommelden ze in.
Midden in de nacht klonk er luid geroep: “Daar is de bruidegom! Kom, ga hem tegemoet.”
Dat wekte de meisjes en ze brachten hun olielampen in orde.
De dwaze meisjes zeiden tegen de wijze: “Geef ons wat van jullie olie, want onze lampen gaan al uit.”
De wijze meisjes antwoordden: “Nee, straks is er nog te weinig voor ons en jullie samen. Zoek liever een verkoper en koop zelf olie.”
Terwijl zij op olie uit waren, arriveerde de bruidegom, en zij die klaarstonden gingen met hem naar binnen voor het bruiloftsfeest, waarna de deur gesloten werd.
Enige tijd later kwamen ook de andere meisjes. Ze riepen: “Heer, heer, laat ons binnen!”
Maar hij antwoordde: “Ik ken jullie werkelijk niet.”
Wees dus waakzaam, want jullie weten niet op welke dag en op welk tijdstip hij komt.
 
 
  • Tweede lezing. Bart Moeyaert: De gans en zijn broer
 
Harteloos
 
Eerst waren haar schoenen zoek en toen ook de boerin. Misschien was ze weg, misschien was ze kwijt. Niets was zeker, behalve de lege plek op de keukentafel. Daar lag voor niemand een briefje met ‘zo terug’ of ‘tot morgen’.
Drie dagen bleef het stil in huis en op het erf en alles wat er moest gebeuren, van het voeren tot het hooien, gebeurde niet.
‘Waar bent u? Waar bent u?’ riepen de schapen in hun slaap.
Het zag er niet goed uit. Boven het hoofd van de gans en zijn broer cirkelden kraaien en boven de kraaien pakten de wolken zich samen.
‘Misschien moeten we als de kraaien doen’, zei de broer. ‘Zoeken, zoeken, in cirkels zoeken. Het liefst ook als de wolken: samen’.
‘Ach broer,’ zei de gans. “als er in drie dagen op een lapje grond als dit nog geen boerin is opgedoken, denk ik het ergste’.
‘Dat ze zonder boe of bah is weggegaan, bedoel je dat?’
‘Precies’, zei de gans. ‘Ze heeft ons botweg laten stikken. Waar is ze, waar is ze? Kijk naar mijn gezicht, ik zie er grauw van en jij ziet al sinds gisteren bleek.’
‘We hebben het altijd geweten,’ zeiden de schapen. ‘Het mens had geen hart voor de zaak’.
‘Het harteloze mens, zul je bedoelen,’ zeiden de gans en zijn broer, ‘om ons zo te laten hongeren,’ en ze gingen onder het afdakje zitten, want het begon te regenen.
Toen bracht de postbode een brief. Hij begon met: ‘O, wat erg’ en hij was van de boerin.
‘O, wat erg. Jullie zoeken me. Jullie zoeken boven de balken van de schuur, in ruiven en troggen. Af en toe kijken jullie om, of ik niet ineens achter jullie sta, voor de grap. Wat erg. Wie weet hebben jullie het halve erf al afgegraven en de put leeg gehaald. Het huis is als een jas binnenstebuiten gekeerd en van de stal blijven alleen de muren over. Wat erg dat jullie nu pas weten waar ik ben. Ik hoop dat niemand zijn leven heeft gewaagd om mij te vinden. Het spijt me dat ik zo plotseling verdween. Het moest van het ene moment op het andere, omdat het niet goed ging met mijn oude moeder. Nu is ze weer beter .vanavond kom ik terug en sluit ik jullie aan mijn hart, want jullie zijn mij alles waard.
De gans en zijn broer zwegen een poosje. De schapen en de kalkoenen schoven heen en weer en kuchten eens. Niemand wilde de brief lang vasthouden.
‘Moesten we niet nog iets doen?’, zeiden ze allemaal. Daarmee bedoelden ze dat ze nu nog zouden doen wat in de brief stond: het huis als een jas binnenstebuiten keren, het erf omspitten, de put leeghalen. Als ze dat niet zouden doen, zou het opvallen.
Tegen de avond kwam de boerin terug.
‘Hier ben ik, hier ben ik!’ riep ze van ver en ze gooide haar armen wijd open om de gans en zijn broer, de kalkoenen, de schapen en de hond in haar hart te sluiten.
 
 
  • Overdenking
 
Mijn ziel verlangt naar de Ene, meer dan wachters naar de morgen, meer dan wachters uitzien naar de morgen (Psalm 130: 6).
 
Advent in 2020 en in 2021. Hoe anders dan advent in de jaren daarvoor.
Hoe anders zullen wellicht ook de kerstdagen zijn? Geen grote familiebijeenkomsten, geen volle concertzalen, geen kerken waarin stoelen bijgezet moeten worden om iedereen een plaats te geven. Is er dan nog iets om naar uit te zien? Ja, en misschien nog wel sterker dan anders. Want wat gebleven is, is ons verlangen naar licht. Naar een morgen waarop we wakker worden in een wereld, waarin we niet meer horen of lezen over verdronken vluchtelingen, terroristische aanslagen, nepnieuws, polarisatie. Naar een morgen waarop de onrust in onszelf kalmte is geworden, onverschilligheid enthousiasme en bitterheid zachtheid. Naar een morgen waarin we onszelf en anderen nabij zijn, iets ervaren van een God die mens werd. Maar zo lang we daar nog niets van merken, komt het op wachten aan. Op wachten en waken. De vraag is: hoe doen wij dat?
 
We lazen het verhaal over 10 wachtende meisjes. Meiden zouden wij nu zeggen. Jezus vertelde het aan het eind van zijn leven. Hij spreekt dan over de laatste dingen, over de tijd dat het koninkrijk van de hemel, Gods nieuwe wereld, gekomen zal zijn. Van die wereld had Jezus al iets laten zien, waar hij kwam keerde alles om. Hij liet doven horen, blinden zien, lammen dansen, doden leven. Hij at met de verschoppelingen, de hoeren en de tollenaars. Zo schetste hij de contouren van die nieuwe wereld. Hij was er heilig van overtuigd dat die eens zou komen. Wanneer dat zou zijn wist hij niet. Op een vraag van zijn leerlingen daarover zei hij: van die dag en van dat uur heeft niemand weet, ook de hemelse engelen niet en evenmin de zoon. Alleen de Vader weet het. Voor en na het verhaal van de tien meisjes staan nog veel meer verhalen die Jezus vertelde. En allemaal gaan ze over waakzaamheid, opletten, je tijd nuttig besteden. Want je weet niet wanneer de Ene zich zal laten zien.
 
Waakzaam zijn, waken lijkt een vreemde bezigheid. Voor het oog doen we niets en toch is het een hele klus. Want waken is meer dan gewoon wakker blijven. Waken is er bewust bij zijn, bij wat er gebeurt, bij de mensen, bij onszelf. Waakzaam zijn is alert zijn, opmerkzaam. Dat vraagt om uithoudingsvermogen. Want ook als we waken gaan de dingen niet sneller dan anders, misschien lijkt het juist wel alsof ze langzamer gaan. Zoals een doorwaakte nacht lang kan duren. Waakzaamheid heeft met aandacht te maken. Het is bewust aanwezig blijven bij het leven zoals zich dat hier en nu aan ons voordoet. Maar het is ook meer dan dat, het gaat ook om bewaren wat kwetsbaar is, veilig stellen wat bedreigd wordt. En waakzaam zijn is ook uitzien naar wat nog niet is.
Dan is waakzaam zijn vooral: verlangen. Een verlangen naar het spreken van de Ene. Vertrouwen op de Eeuwige is risicovol. Wie dat doet, weet dat de Eeuwige vaker lijkt te zwijgen dan te spreken. Elke dag zien we een wereld die in de verste verte niet lijkt op de wereld waarnaar we verlangen. Onze wereld ziet er niet goed uit. En daar kunnen we heel moedeloos van worden, heel boos ook. We zijn niet klaar voor de Eeuwige, we zijn er klaar mee. Wat de dieren over de boerin dachten, kunnen wij de Eeuwige verwijten. De Ene is weg, misschien kwijt. Een lege plek in ons hart. Spoorloos verdwenen, zonder boe of bah.
Een harteloze God. Zelfs geen briefje met ‘zo terug’ er op, ‘tot morgen’, of ‘tot 25 december’. Hij heeft ons botweg laten stikken. Er zal niets terecht komen van die nieuwe wereld. We hebben het altijd geweten, de Eeuwige heeft geen hart voor de zaak, geen hart voor ons. En wij roepen: waar bent U? Waar bent U? We gaan zoeken, maar vaak op de verkeerde plekken, in vicieuze cirkels. Of we vallen in slaap, of we gaan onder een afdakje zitten. Er valt toch niets aan te doen. Alles wat we zouden moeten doen, doen we niet. En dat kan lang duren.
 
Maar ergens, ver weg en soms dichtbij, blijft het verlangen. Mijn ziel verlangt naar de Ene, meer dan wachters naar de morgen, meer dan wachters uitzien naar de morgen. Deze tekst staat in psalm 130. Een psalm die begint met: uit de diepte roep ik tot U, hoor mijn stem. Wees aandachtig, luister naar mijn roepen. Het is maar een heel kort lied en toch zit er een wereld van verschil tussen het eerste en het laatste vers. Van hulpeloosheid gaat het naar hoop. Naar hopen op de Ene, want bij Hem is bevrijding, altijd weer, staat er.
 
Zelfs midden in de nacht. Om middernacht, in het donker en in de kou, als we niets meer zien zitten, klinkt er een stem. Om middernacht begint de nieuwe dag, dan kantelt er iets. Ja, dat is lang wachten, maar geloven is ook geduld hebben. We zien maar zo weinig van een nieuwe wereld, maar toch. Het is Advent geworden, het wordt elk jaar Advent. En Advent betekent ‘komst’.
Het is geen ander woord voor hopeloos, apathie, onverschilligheid, stilstand, blijven zitten waar je zit en verroer je niet. We kunnen passief wachten.
Gewoon maar afwachten wat er naar ons toe komt. En we kunnen op een actieve manier wachten: daar werk van maken. Dat is Advents-wachten.
 
Advents-wachten is signalen van het nieuwe opvangen en aan het werk gaan. We hebben er iets van gezien in de zorg van mensen voor elkaar, misschien wel juist in deze tijden van Corona. Onverwachte acties van mensen van wie we misschien niets verwacht hadden. En ons daarom beschaamd kunnen maken. Zoals toen de boerin een teken van leven gaf, er gezwegen, heen en weer geschuifeld en gekucht werd. Niemand wilde de brief lang vasthouden.
Dat duurde even, maar toen gingen ze aan de slag.
 
 
Advent zegt: ga aan het werk. Steek het licht aan: al is het maar een klein lampje, ook dat geeft licht. Graaf het erf af: maak het pad vrij voor de Ene.
Zorg ervoor dat het onkruid dat bitterheid heet, geen kans krijgt. Haal de put van de moedeloosheid leeg: en zie dat die niet bodemloos is. Keer je hart als een jas binnenstebuiten: haal dat oude visioen van een andere wereld weer onder het stof vandaan.
 
Zorg voor voldoende brandstof. In het verhaal staat dat de meisjes die geen olie meer hadden aan de anderen vroegen om hen wat van hun voorraad te geven. Het antwoord was nee. Een antwoord dat helemaal niet in het evangelie en bij Jezus lijkt te passen. Het gaat toch steeds om delen, geven, zorgen voor een ander. Deze olie kan echter niet gedeeld worden. Ze staat symbool voor wat de mens zich in de loop van zijn of haar leven heeft eigen gemaakt, dat wat geleerd is, het bewaarde vertrouwen, de geschonken liefde, de niet opgegeven moed. Dat is niet over te dragen, al zouden we dat soms wel willen. Als het gaat om vertrouwen, hoop kunnen we niet tegen een ander zeggen: hier heb je de helft van het mijne. Dat gaat niet, de ander zal zich daar zelf voor open moeten stellen, iets ervan in zichzelf moeten toelaten en verder ontwikkelen, doen groeien.
 
In dit verhaal gaat het om de verantwoordelijkheid die ieder heeft. Want het vertelt ons ook dat er vroeg of laat een moment in ons leven komt, dat we op onze reserves worden aangewezen. Het gaat ons immers niet altijd voor de wind. Soms volgt de ene tegenslag op de andere. Donkere wolken pakken zich samen. Nergens een lichtpuntje te bekennen. Dan komt het erop aan of we een voorraadje olie hebben aangelegd, waarmee we toch weer een lichtend vuurtje kunnen laten branden in onze duisternis.
 
Een voorraadje veerkracht, geduld en vertrouwen in onszelf, de ander en de Ander met een hoofdletter. Dat is dan een bron waaruit we kunnen putten.
Zo’n reserve hebben we niet zo maar. Die hangt samen met onze levenshouding, met onze gerichtheid op de wereld om ons heen. Op samen in plaats van ik en nog eens ik. Zo’n levenshouding heeft tijd nodig om te groeien, stevig te worden, zodat we er beschutting en houvast kunnen vinden, als het erop aankomt. En vroeg of laat komt het erop aan. Op wachten, waken en werken, ook als het nog donker is en de morgen ver weg.
 
Een chassidisch verhaal vertelt over een klokkenmaker, die aankwam in een dorp waar de kerktoren kapot was. Sommige mensen hadden hun horloge vanwege de kapotte kerkklok niet meer opgewonden. “Dat heeft toch geen zin meer.” Ook zij kwamen naar de klokkenmaker toe om hun uurwerk te laten repareren, maar hij zei: “Alleen de klokken die wel zijn opgewonden toen de kerkklok stilstond, kan ik repareren.”
De klok blijven opwinden, door blijven gaan, ook al lijkt dat zinloos.
De woorden die in het tweede testament te maken hebben met waken en waakzaamheid betekenen tegelijkertijd volhouden, volharden. Erbij blijven,
niet vluchten of weglopen, maar de last dragen. Het liefst als de wolken: samen.
Een lange adem hebben. Wij zijn vaak ongeduldig en in ons ongeduld blijft wat onopvallend of kwetsbaar is vaak onopgemerkt. Een kind in een kribbe zien we snel over het hoofd, zeker als je het daar niet verwacht. We schuiven het ongezien aan de kant. Maar God komt in het gewone. In mensen kijkt Hij ons aan en wacht. Want ook de Eeuwige wacht. Op wat we gaan doen. Of we gaan laten wat nutteloos is en gaan doen wat nodig is.
 
Dat niet doen betekent de deur dicht doen. Dan zullen we het wonder van kerst, God-met-ons, niet zien. Want we kunnen slechts dat zien wat we geloven.
De hoop opgeven betekent maar één kant opkijken. En dan zien we alleen wat mensen elkaar aan kunnen doen, hoe geniepig en gemeen, harteloos en wreed ze kunnen zijn. We zijn verbijsterd als we dat van dichtbij meemaken.
Daarop lettend kunnen we niet meer geloven dat het anders, beter, kan met en in onze wereld. Maar soms, als het ons lukt om onze blik in een andere richting te laten gaan, staan we ook versteld van de andere kant van mensen. Wat ze voor elkaar over kunnen hebben, zoveel toewijding, zoveel liefde en inzet. Dan durven we weer een beetje te geloven in dat visioen van deze wereld omgekeerd. Dan willen we ook de kracht vinden om het beste in onszelf naar boven te halen.
 
Maar hoe moeten we dat dan doen? Hoe houden we onze schouders sterk,
onze adem lang en onze ogen open? Wat kunnen wij doen om het lijden van onszelf en van anderen te zien en te dragen? In zijn gedichtencyclus Hongarije 1956 geeft Gabriël Smit een antwoord dat gemakkelijk lijkt, maar dat niet is.
Hij schreef deze cyclus na de massale volksopstand van achttien dagen die gericht was tegen het stalinistische bewind en duizenden burgers het leven kostte. Een gedeelte daaruit:
 
En wat wij nu moeten doen?
Ik durf het haast niet te zeggen,
Want al wat ik nog kan beweren klinkt erg klein.
Ik moet gewoon zijn waar ik ben, ik moet doen wat ik doen moet,
ik moet geven wat ik kan geven, ik moet leven.
Leven en de gewone dingen doen,
Onze Vader zeggen en het geloven,
proberen de aarde bewoonbaar te maken.
Gewoon aan je werk gaan en waken.
Wakker zijn. Al wat je doet, leeft overal.
Waakzaam zijn is het broze beschermen. Het broze in ons, het vlammetje van de hoop, geloof zo klein als een mosterdzaadje, liefde tegen de klippen op.
En het broze buiten ons. Zorgen voor de oude moeder. Als we de Eeuwige willen zoeken, zullen we het daar moeten doen waar het lijden is, de armoede, de eenzaamheid, de ziekten, het verdriet. Ook daar is waakzaamheid geboden als aandachtige bescherming van de ander.
 
Waakzaam zijn is ruimte maken voor de God die in alle kwetsbaarheid lijkt te zwijgen. God juist daarin te voorschijn te roepen. Weten, of vermoeden dat wij niet de enigen zijn die waken. De Eeuwige doet dat ook. Hij waakt over ons.
Hij heeft ons in Zijn hart gesloten. Al vanaf het begin. Een waken dat steeds gericht is op mensen die onderweg zijn en op de meest onverwachte momenten onderuit kunnen gaan. Psalm 91 zingt daarover: De Ene vertrouwt je toe aan Zijn engelen. Die over je waken waar je ook gaat. Evenals psalm 121: Hij zal niet slapen, je wachter. Hij waakt over je leven, de Ene houdt de wacht.
 
We mogen leven van het vertrouwen in het goede, van een bestaan waarin
steeds weer lichtjes aangestoken worden, van nieuwe wegen die we mogen ontdekken en die we kunnen leren zien, juist als we verder kijken en de dingen de tijd geven om te groeien.
 
De dingen de tijd geven, want we weten niet op welke dag Gods nieuwe wereld komt. Het hoeft niet op 25 december te zijn en zeker niet alleen op 25 december. Maar we mogen erop vertrouwen dat het zal gebeuren. Dat het morgen wordt,
de zon komt op, we zien een andere wereld.
 
En de Ene zal zeggen: hier ben ik, hier ben ik. Want dat is Zijn naam: Ik zal er zijn. Amen.
 

Deel dit