Vrijzinnig geloven

 

VVP

Overdenking 24 oktober 2021

Overdenking 24 oktober 2021

Willem van der Meiden is op zondag 24 oktober voorgegaan in de Houtrustkerk. Omdat niet iedereen naar de kerkdiensten kan komen heeft hij de overdenking opgestuurd. Deze kunt u lezen terwijl u de dienst terugkijkt via kerkomroep.
 
Houtrustkerk, 24 oktober 2021
 
Thema: Herlevend heden
Voorganger: Willem van der Meiden
 
Schriftlezing: Jozua 5: 10-15
 
De tijd – een thema dat me vaak bezighoudt.
Soms is dat in dagen van nabestaan, geconfronteerd met de eindigheid van een dierbaar mensenleven.
Soms is dat als dichters als Vasalis me vertellen dat de tijd niet bestaat, maar dat alleen de beleving ervan geldt.
Soms is het als ik met iemand in een discussie verzeild raak over het ‘heden’, het ‘nu’, dat niet bestaat omdat het voorbij is nog voordat je het woord uitspreekt. Dat het verleden raakt aan de toekomst en dat die elkaar raken in een ondeelbaar moment – een zeer Paulinische gedachte.
Maar soms ook boeit het onderwerp me als ik mensen hoor zeggen: ‘In mijn tijd zeiden we ‘u’ tegen volwassenen’. Of: ‘Het zal mijn tijd wel duren.’ Wat is dat: mijn tijd? Bestaat er een andere tijd dan ‘mijn tijd’?
Hoe de Bijbel over de tijd spreekt, vind ik intrigerend en ik ga met u een paar stapjes deze denkwereld binnen. Met vandaag de nadruk op de herhaalbaarheid van de tijd, op herlevend verleden en vooruit beleefde toekomst. Als illustratie een tekst uit het Bijbelboek Jozua, het boek van de intocht in het land Kanaän, geen boek van de Thora – want de lezing daarvan in de synagoge begint, als het beloofde land in zicht is, gewoon weer met het verhaal van de schepping. Maar Jozua is wel in de joodse traditie het eerste boek van de profeten. We leren uit deze verhalen hoe de tijd altijd is op te roepen als het moment ervoor rijp is. De eerste hoofdstukken van Jozua hernemen thema’s uit het verhaal van de uittocht en de doortocht door de woestijn. Zo gaat het volk droog door de Jordaan, zoals eerder bij de uittocht het volk door de Schelfzee trok, zo worden alle mannen die in de woestijn zijn geboren besneden, zo wordt er voor het eerst sinds de uittocht en dus voor de tweede keer ooit Pesach gevierd, zo wordt er geoogst in het land Kanaän en verdwijnt het manna waarmee ze zich 40 jaar lang gevoed hebben. Dat lezen we in Jozua 5: 10-15:
 
10 De kinderen van Israël legerden zich in Gilgal,
zij bereidden het Pesachmaal
op de 14de dag na nieuwe maan in de avond,
in de vlakten van Jericho.
11 En zij aten van het gewas van het land
in de morgen die volgt op het Pesachmaal:
matses en pofgraan, op diezelfde dag.
12 De volgende morgen stopte het manna
toen ze gegeten hadden van het gewas van het land.
Voor de kinderen van Israël was er geen manna meer,
zij aten van de opbrengst van het land Kanaän in datzelfde jaar.
13 Het geschiedde:
Jozua bereikte Jericho, sloeg zijn ogen op en zag:
Zie, een man die tegenover hem stond,
met een getrokken zwaard in zijn hand.
Jozua ging tot hem en zei tegen hem:
“Hoor jij bij ons of bij onze belagers?”
14 Hij zei: “Nee, want ik ben overste van het leger van de Ene.
Ik ben nu gekomen.”
Jozua viel op zijn aangezicht ter aarde,
eerde hem en sprak tot hem:
“Wat spreekt mijn heer tot zijn dienaar?”
15 De overste van het leger van de Ene sprak tot Jozua:
“Trek je schoenen van je voeten,
want de plek waar jij nu staat is heilig.”
Jozua deed alzo.
 
L’histoire se répète, lijkt het wel. Deze verschijning in de laatste verzen, een man met een zwaard: “Trek je schoenen van je voeten,
want de plek waar jij nu staat is heilig.” Letterlijk de woorden die uit de brandende braamstruik klonken toen Mozes opdracht kreeg zijn volk uit te leiden uit Egypte, toen de Ene zijn Naam, haar programma onthulde: “Ik ben jullie nabij”. Heilige grond! Dat kleine stukje heilige grond bij de berg Horeb staat hier pars pro toto voor het land van belofte.
Het is geen cirkelgang, de Bijbel is het cyclische denken vreemd. Het is eerder de gang van een spiraal of een helix. En zoals u uit de natuurkundelessen van ooit misschien nog weet, is een spiraal het medium om stroom te geleiden, energie, staat een spiraal voor richting en beweging. Israël herhaalt zich niet, maar ontwikkelt zich in de profetie.
 
Overdenking
 
Ik begin mijn overweging met een tekst van Hella Haasse, wat mij betreft Nederlands grootste schrijver (m/v) van na de oorlog. Ze overleed tien jaar geleden, in 2011, 93 jaar oud. We gaan met haar mee naar Delfi, Griekenland, waar het beroemde orakel nog steeds te bezichtigen is. Ik lees met u een citaat uit haar boek De ingewijden uit 1957:
“[…] de vertrouwde dingen schenen boordevol van dat raadselachtige huiveringwekkende dat hij soms voelde maar niet kon noemen. De stammen en de takken van de bomen wrongen zich uit de bodem omhoog, onrustig en wanhopig of bezeten van een wilde vreugde, de bergen leefden, het was alsof de aarde bewoog. Licht en donker en kleur betekenden iets, zij stelden het onuitsprekelijke voor, de berggeesten en waterwezens en nog veel meer, hij wist dat van binnen, maar kon het niet met zijn verstand bevatten.”
Aan het woord is Niko, een jongeman van Kreta en een van de hoofdpersonen die in estafette deze roman structuur geven. Het citaat is er een van vele waarin haar hoofdpersonen zich opgenomen weten in en langzaam ingewijden worden van een wereld die ouder en groter is dan zij zelf, in een transcendentie dus, die vaak onheilspellend en somber is. De inwijding waarnaar de titel van het boek verwijst, mag wel een sleutelwoord van Haasse’s mystiek heten. Zij weet vaak op een vernuftige manier de aardlagen van de klassieke tijd door de humus van het heden boven de grond te laten komen in de levens van mensen van vandaag de dag.
Hella Haasse was zeer onderlegd in de klassieke wereld, maar het is niet alleen de klassieke tijd die haar zoveel inspiratie heeft gegeven. Zij schreef tal van andere historische romans, zoals haar beroemde Het woud der verwachting uit 1949, de brievenboeken over de familie Bentinck of het bekende Heren van de thee uit 1989. Ze schreef ook essays en korte verhalen waarin het verleden actueel wordt in de levens van mensen nu: het besef dat je op de schouders van de geschiedenis staat, dat het verleden aanwezig is in gebouwen, natuur, kunstvoorwerpen, maar ook in mensen, in wat zij denken, voelen en hoe zij met elkaar omgaan. Klassieke religie, middeleeuwse geschiedenis, maar ook de geschiedenis van Indonesië – ze worden door de schrijfster gepresenteerd als krachten die schuilgaan in het heden, in mensen, en tot aanzijn kunnen worden geroepen door haar personages.
Haar boodschap, voor zover in haar geschriften aanwezig, zou je kunnen samenvatten met: wij zijn niet alleen en onze identiteit danken wij voor een groot deel aan anderen, aan degenen die ons zijn voorgegaan, aan de geschiedenis die door de kieren van het heden ons bereikt en onze zinnen streelt en begoochelt. Een mystieke beleving van de diepte van de geschiedenis: zo zou je de spiritualiteit van Hella Haasse kunnen typeren. Geen idee of ze met die aanduiding genoegen had genomen… Ook in haar prachtige essays heeft de schrijfster het aan de oppervlakte komende, herboren verleden gethematiseerd. Een essay over haar persoonlijke geschiedenis laat dat verbluffend mooi zien.
 
We gaan met Hella Haasse terug naar Java. Ze is terug in Indië, in de bergen van haar jeugd en beschrijft in de bundel Een handvol achtergrond (1993) een ervaring die haar overvalt. De confrontatie met en de herkenning van de waarnemingen van toen roepen bij haar een bijzonder verschijnsel op – en ik citeer haar: “alsof mijn bewustzijn op het punt staat de ‘verloren tijd’ te beleven, niet alleen een fysieke staat-van-zijn, een gebeuren, een handeling, maar ook heel het diffuse web van zintuiglijke indrukken, verwachting, herinnering, dat destijds met die momenten samenhing. Dit zijn letterlijk onbeschrijflijke gewaarwordingen. Ik voel mij telkens weer, over de afstand in de tijd heen, één met het kind, het meisje dat ik was. Zoals dergelijke flitsen […] scheuren veroorzaken in de chronologie […] zo was ik mij vroeger, midden in de tastbare werkelijkheid van toen, soms bewust van een nog onbestemde uitbreiding van mijn bestaan, mijn onvoltooid toekomende tijd, en leek het me alsof ik weerlichtsnel iets voorvoelde en begreep van een latere, verdere vorm van mijzelf. Hier op Gambung besta ik als het ware binnen verschillende, in elkaar overvloeiende bewustzijnslagen.” Tot zover Hella Haasse, mystiek maar aards, met de voeten op haar heilige grond.
 
In de kerk hoor je nog wel eens spreken over God, “die hemel en aarde geschapen heeft”. Daar zit een gedachte achter die ik heb leren wantrouwen. Het ruikt naar deïsme, vind ik en dat moet ik uitleggen. Tijdens de Verlichting in de 18de eeuw werd een denken populair waarin het Opperwezen, God, zo u wilt, weliswaar de credits kreeg voor het scheppen van hemel en aarde – ooit, lang geleden – maar verder op non-actief werd gezet. Na die schepping moet de mens het zelf maar rooien. Zo werd er ruimte geschapen voor de menselijke rede die zo in de mode was. Een eeuw later kreeg de scheppingsthese zelf een flinke knauw door de ontwikkeling van de wetenschappen en nog later moest die arme scheppingsleer wedijveren met de Big Bang, met de oerknal, op een slagveld van ‘waar of niet waar’ waar het scheppingsverhaal kansloos was en ook helemaal niet thuishoorde. Maar het geloof van Israël, ook door christenen omarmd, is juist dat die schepping niet een gebeurtenis was van heel lang geleden, die we gepast kunnen herdenken, niet verleden tijd, maar juist actueel is, dat God elke dag hemel en aarde schept en dat mensen dus altijd opnieuw kunnen beginnen met een God die nabij is. Zo staat het dus in de klassieke geloofsbelijdenis: “Ik geloof in God, schepper van hemel en aarde.” En zo staat het in de letterlijke tekst van het eerste vers van het eerste Bijbelboek. Niet: “in den beginne schiep God de hemel en de aarde” van de Statenvertaling – vroeger, ooit - maar zoals Pieter Oussoren het deed in de eerste editie van de Naardense Bijbel uit 2004: “Sinds het begin is God schepper van de hemelen en de aarde”. Er is dus niet bedoeld dat de geschiedenis zich eindeloos herhaalt – een werkelijk troosteloze gedachte – maar dat elke dag een nieuwe dag is en dat elk leven een nieuw leven is – een werkelijk troostrijke gedachte.
We lazen het fraaie gedicht van Vasalis, die ook speelt met de verschillende bewustzijnslagen van de tijd:
 
Hoe kón ik dat niet eerder weten,
niet beter zien in vroeger tijd?
Hoe moet ik het weer ooit vergeten?
 
Zij schreef ook een gedicht dat door het Nieuw Liedfonds prachtig op muziek is gezet. De tekst luidt als volgt:
 
In de oudste lagen van mijn ziel,
waar hij van stenen is gemaakt,
bloeit als een gaaf ontkleurd fossiel,
de stenen bloem van uw gelaat.

Ik kan mij niet van U bevrijden,
er bloeit niets in mijn steen dan Gij,
de oude weelden zijn voorbij.
Maar niets kan mij meer van U scheiden.
 
Ook hier wisselende tijden, een bloeiend fossiel en de ontmoeting met de ander die is als jezelf.
 
Al dergelijke overwegingen zijn verbonden met het begrip ‘tijd’. De populaire wetenschap benadert de tijd doorgaans lineair – de tijd schrijdt rechtlijnig en in één richting voort. Er is een vroeger, er is een nu en er is een toekomst. En de tijd van een mensenleven is begrensd. Ieder mens heeft een tijd van leven tussen geboorte en dood. Daaromheen is de tijd, of ook wel, eeuwigheid, eigenlijk: tijdloosheid, althans geezien vanuit het perspectief van dat ene mensenleven.
Nu zijn er gelovige mensen die hebben bedacht dat mensen in die tijdloosheid toch voortleven en dat dat voortleven zelfs gekwalificeerd kan worden met ‘hels’ of ‘hemels’, al naar gelang het gedrag van de mens in zijn of haar aardse leven.
Het Bijbelse tijdsbegrip biedt daarvoor weinig grond. In het Hebreeuwse testament is er nauwelijks sprake van een leven in eeuwigheid, maar eerder van eeuwige rust. De eeuwigheid is de tijd van God. Laat God maar eeuwig zijn.
Het nieuwtestamentische tijdsbegrip – vooral dat van Paulus – laat zich als volgt samenvatten.
Wat is het verleden? Het verleden is dat wat indruk heeft gemaakt, wat herinneringen achterlaat. Maar daarmee is het niet af. Het verleden is een bestaanswijze van mijn heden. Ik besta als degene die zus en zo gewéést is, die Ik geweest is. Ik? Geweest? Is dat waar? Is dit ná-bestaan van het verleden geen waan, geen verzinsel? …
Wat is de toekomst? Ook de toekomst is een bestaanswijze van het heden. Het is het punt dat we in het heden bereikten als prognoseproject en dat we als mogelijkheid bedachten, als morgenstond van dag, seizoen en periode. Maar zal ik dat zijn? Is dit vóórbestaan van die toekomst geen waan, geen verzinsel? …
De verschillende fasen van ons bestaan zijn alle in het heden tegenwoordig, behalve, wonderlijk genoeg, het heden zelf, dat alleen maar kenbaar is als reflectie op het niet-meer en op het nog-niet. En het heden is verleden nog vóór we het woord hebben uitgesproken. Nog zo’n Bijbelse notie: Wij hébben geen tijd dan die ons nu gegéven wordt. Wij kunnen de tijd niet realiseren als tijd van God. Wij kunnen de tijd niet als richting denken zonder ons nog eens te verbazen, niet zozeer over het einde, maar over zijn onwerkelijkheid. Is ons heden geen waan, geen verzinsel? Hebben wij überhaupt wel bestáán?
En zo is in de Bijbelse visie de dood in het leven present, zoals op een reis ons het doel voortdurend nabij is, zoals door het bereiken van de laatste mijlpaal de hele weg achter ons zin zal hebben gekregen, zijn eenheid zal hebben gevonden.
 
Je zou kunnen zeggen dat er, Bijbels gesproken, geen tijd bestaat. In het scheppingsverhaal schept God het licht en scheidt dat van de duisternis. Het licht noemt zij dag, de duisternis noemt hij nacht. God schept uit de duisternis het licht. God schept niet de tijd.
De enige tijd is de tijd van leven van de mens, van elk mens. Die tijd begint bij zijn geboorte, ze eindigt bij haar dood. In het Twents zegt men van een overledene dat zij of hij ‘uit de tijd is gekomen’. Als iemand uit de tijd is gekomen, is er geen tijd meer, want die tijd was aan deze mens toegewezen. De tijd is gedemocratiseerd, de tijd valt samen met elk mensenleven. En laat de eeuwigheid maar aan God over. Hoe vrijzinnig wilt u het hebben?
 
In de meer dogmatische geloofsbeleving is de werkelijkheid van de tijd, als menselijk-beperkte en toch goddelijk triomferende tijd, lineair geopenbaard in het leven en sterven van Jezus Christus, die was, die is en die komen zal. Maar ook dat besef moeten we Bijbels gesproken niet lineair verstaan. Dat Hij wás betekent niet dat Hij niet meer is. Dat Hij komt betekent niet dat Hij nóg niet is. In Hem, die heet “de Eerste en de Laatste”, de “Alfa en de Omega”, is de tijd in de tijd vervuld, neemt onze tijd aan Gods tijd deel, ons leven inclusief zijn verzuimde mogelijkheden neemt deel aan Zijn werkelijkheid.
Zo las ik het ergens, het klinkt ingewikkelder dan het is en als je de woorden tot op hun essentie pelt, spreken ze mij aan, ze zijn in elk geval troostrijk. Voor mij althans.
 
De door Hella Haasse beschreven ervaring op Java is fascinerend en een mooie illustratie van dit denken in een mensenleven: je één voelen met de mens die je was, je één voelen met de mens die je zult zijn, vóórvoelen en návoelen. Besef hebben van een onvoltooid verleden tijd en van een onvoltooid toekomende tijd, tijd die op je toekomt. Dat hoor ik mee in de dialoog tussen schepping en herschepping, tussen komst en wederkomst, tussen uittocht en intocht – de tijd is een van de hoogtepunten van de menselijke verbeelding. En verschillende waarheden vormen één werkelijkheid. Zo strijkt op het Pinksterfeest de heilige adem over Jezus’ leerlingen, zoals die van God over zijn schepping. Zo vieren we straks Kerstmis, de geboorte van Jezus de mensenzoon, de wedergeboorte van de mens. Niet omdat de geschiedenis zich herhaalt, maar omdat ons leven zich vernieuwen kan, zich vernieuwt en zich vernieuwen zal. Amen
 

Deel dit