Vrijzinnig geloven

 

VVP

Overdenking 28 november 2021

Overdenking 28 november 2021

Nel Verburg is op zondag 28 november voorgegaan in de Houtrustkerk. Omdat niet iedereen naar de kerkdiensten kan komen heeft hij de overdenking opgestuurd. Deze kunt u lezen terwijl u de dienst terugkijkt via kerkomroep.
 
Thema: Geloof is de vogel die zingt als de nacht nog donker is
(Rabindranath Tagore)
 
 
  • Lezing: Psalm 21 (Uit: 150 psalmen vrij, Huub Oosterhuis)
Gods uitverkoren koning, toegejuicht in vervoering
goud getooid bij geschal van trompetten, overstelpend gezegend
 
je vroeg en Hij heeft gegeven, leven en lengte van dagen.
Hij zal jouw vijanden vinden en weg van de bodem vagen.
Hij laat voor hen vuurovens bouwen, ze vastbinden rug aan rug –
en dan de zweep erover.
Hun kinderen zal hij verdelgen, uitroeien de vrucht van hun zaad.
 
Koning vertrouw deze god, noem Hem Ik – zal – Allerhoogste.
Laat zijn koninkrijk komen. Zing in psalmen Hem toe
dat nimmer wankelt zijn vriendschap…………..

Ik lees en herlees dit lied. Was dit de god onzer vaderen?
Mijn god is het niet meer.
 
Luister mijn zoon en mijn dochter:
Zing dit liedje niet verder, leer het je kinderen niet.
 
Als er een God is? Als er een god is is het een ander.
Een die niet komt verdelgen, die geen vuuroven stookt
maar zijn geliefden levend uit de vlammen bevrijdt.
Niet van de machtigen is Hij de god, maar van hun slaven en prooien.
 
Tot mijn grote geluk heb ik Hem leren kennen.
Hij legde Zijn hand op mijn hoofd. Ik ga met Hem al een leven.
Hij weet hoe verder. Ik niet.

Luister mijn kinderen allen: Hem stel ik jullie voor –
vrolijke kennismaking aan een eenvoudige tafel.
Zing iets voor Hem, Hij houdt van zacht a-capella
maar ook van uitbundig met slagwerk.
Je hebt je tafel gedekt. Waar blijft Hij, vraag je. Hij zou toch komen?
 
Ja, Hij zou komen. Begin maar te zingen.
 
En komt Hij niet, je zult nooit weten waarom niet.
Troost je, Hij hoort je van verre. Hij is van ver en dichtbij.
 
 
  • Lezing: Jesaja 11: 1 - 10
Maar uit de stronk van Isaï schiet een telg op,
een scheut van zijn wortels komt tot bloei.
2 De geest van de HEER zal op hem rusten:
een geest van wijsheid en inzicht,
een geest van kracht en verstandig beleid,
een geest van kennis en ontzag voor de HEER.
3 Hij ademt ontzag voor de HEER;
zijn oordeel stoelt niet op uiterlijke schijn,
noch grondt hij zijn vonnis op geruchten.
4 Over de zwakken velt hij een rechtvaardig oordeel,
de armen in het land geeft hij een eerlijk vonnis.
Hij tuchtigt de aarde met de gesel van zijn mond,
met de adem van zijn lippen doodt hij de schuldigen.
5 Hij draagt gerechtigheid als een gordel om zijn lendenen
en trouw als een gordel om zijn heupen.
6 Dan zal een wolf zich neerleggen naast een lam,
een panter vlijt zich bij een bokje neer;
kalf en leeuw zullen samen weiden
en een klein kind zal ze hoeden.
7 Een koe en een beer grazen samen,
hun jongen liggen bijeen;
een leeuw en een rund eten beide stro.
8 Bij het hol van een adder speelt een zuigeling,
een kind graait met zijn hand naar het nest van een slang.
9 Niemand doet kwaad, niemand sticht onheil
op heel mijn heilige berg.
Want kennis van de HEER vervult de aarde,
zoals het water de bodem van de zee bedekt.
10 Op die dag zal de telg van Isaï
als een vaandel voor alle volken staan.
Dan zullen de volken hem zoeken
en zijn woonplaats zal schitterend zijn.
 
 
  • Overweging
Waar blijft Hij, vraag je? Hij zou toch komen? Wij wachten al zo lang.
We hebben al zoveel adventsliederen gezongen, liedjes van verlangen.
We hebben al zo vaak Kerst gevierd. Maar ons lied lijkt niet opgewassen tegen het rumoer van deze wereld. We worden steeds weer overstemd door schreeuwende krantenkoppen en het juichen van hen die het gelukt is anderen een toontje lager te laten zingen. Zij die in vervoering het hoogste lied zingen, een loflied op zichzelf, op het geweld, op de macht. Wij leven in een maatschappij waarin agressie onontkoombaar lijkt en waarmee we op verschillende manieren geconfronteerd worden. Er zijn de grote oorlogen,
de verruwing in het taalgebruik, de korte lontjes.
 
Advent, vier weken van bezinning en inkeer voor Kerst. Een donkere tijd, waarin we het vertrouwen in het beloofde licht gemakkelijk kwijt raken.
Zo vaak kennen we momenten waarin we het even niet meer weten en de problemen te groot lijken. Dan schieten woorden te kort, vallen plannen in duigen en dromen aan scherven. Er is niets meer, geen houvast, geen vooruitzicht. Godverlaten wordt elk lied in de kiem gesmoord.
Waar blijft Hij, vragen we? Hij zou toch komen?
 
En toch blijven we Advent vieren. Gaande van 28 november naar 25 december. Rijkswaterstaat heeft als motto: van A naar Beter. Dat zou een mooi beeld kunnen zijn van wat we allemaal hopen: op weg naar beter. Maar daarover bestaat geen zekerheid, niemand weet wat hem of haar morgen boven het hoofd hangt. En daarom zouden we wat voorzichtiger kunnen zeggen dat we allemaal op weg zijn naar onbekend. Met die voorzichtigheid zijn we in goed Bijbels gezelschap. Dat boek vertelt over een volk, zoekend naar veiligheid.
Altijd onderweg. Altijd de dreiging van honger, verdwalen, oorlog. Waar is God? In de psalmen wordt die vraag vaak gesteld of uitgeschreeuwd. In die eeuwenoude gedichten komt ook veel geweld voor. Ze zouden nu geschreven kunnen zijn. Leuk om te lezen, is niet de eerste gedachte die opkomt als je er een paar bestudeerd hebt. Maar als er in de psalmen gesproken wordt over een God die geweld gebruikt, dan doet Hij dat omdat Hij wil dat de gewelddadige mens verandert. Die wordt tot de orde geroepen, de orde van het recht. Het gaat er om dat mensen zich omkeren van het donker naar het licht. Dat zij weer gaan dromen.
Zoals dat volk van rondzwervende nomaden vast af en toe gedroomd zal hebben van een eigen plek, waar hun kinderen konden spelen en waar ze niet op hun hoede hoefden te zijn voor rovers en wilde dieren. Die droom is later aangeduid als ‘Het Beloofde Land’: een land van melk en honing, beeld voor een plek waar het leven goed is. Voor ons en degenen die na ons komen. Een ‘dromenland’, Gods nieuwe wereld.
Waar blijft Hij, vragen we, Hij zou toch komen?
Dezelfde vraag als in de dagen van Jesaja. Jesaja, een groot profeet, een vreemde en gedreven man, zeer welbespraakt. Hij leefde in de achtste eeuw voor Christus, in Jeruzalem. In veel van zijn woorden klinkt frustratie door, hij zag een wereld op weg naar de ondergang en hoe hij ook preekte, waarschuwde, dreigde of verleidde, hij kon het tij niet keren. Een mens, de wanhoop nabij. Geen enkele andere profeet was zo teleurgesteld en verbitterd als hij.
Niemand sprak zulke harde verwijten uit naar zijn landgenoten.
Maar godzijdank had hij nog meer en andere noten op zijn zang. Want de eerste zin van zijn boek luidt: dit is het visioen van Jesaja. Hoor hemelen, luister aarde.
 
Jesaja heeft ‘gezien’. Wat dan? De toestand van het land? De woorden van God? Hoe die woorden werkelijkheid zouden worden?
Zo beeldend en concreet stelt hij ons dat dromenland voor:
Dan zal een wolf zich neerleggen naast een lam,
een panter vlijt zich bij een bokje neer;
kalf en leeuw zullen samen weiden en een klein kind zal ze hoeden.
Een koe en een beer grazen samen, hun jongen liggen bijeen;
een leeuw en een rund eten beide stro.
Bij het hol van een adder speelt een zuigeling,
een kind graait met zijn hand naar het nest van een slang.
 
Het visioen van een wereld met zichzelf verzoend. Dat is het lied wat we mogen zingen, wat we de kinderen mogen leren. De aarde die we nalaten is hun toekomst. Wat die zal brengen weten we door naar onze daden van nu te kijken. Dan weten we ook welke God zal komen.
 
Die van het trompetgeschal, toegejuicht in vervoering, goud getooid, die zijn vijanden van de aardbodem wegvaagt? Dat is de tekst van een hofdichter die denkt in termen van geweld en op die manier zijn koning naar de mond meent te moeten praten. De tekst van mensen die god tot een gewelddadige god maken,
een karikatuur. Die zichzelf op een troon plaatsen en hun medemensen minachten. Van mensen die geen mededogen kennen.
 
Het tweede deel van psalm 21, ‘de tegenzang’ heeft niets van dat gewelddadige. Het plaatst ons, kwetsbare mensen tegenover God. Zegt tegen de hofdichter als het ware: “Die god waar jij het over hebt is mijn god niet.” Als er een god is, is het een ander. Een die niet komt verdelgen, die geen vuuroven stookt, maar zijn geliefden levend uit de vlammen bevrijdt. Degene die niet wegkijkt van geweld, maar er onverwacht dichtbij is om het tij te keren. Niet van de machtigen is Hij de god, maar van hun slaven en prooien. De God die zich laat kennen in een kind in een kribbe, in een mens die een kruis draagt.
 
In de verhalen over die God gaat het niet over het grootse van de macht, maar over de signalen van het kleine. Macht speelt bij de Eeuwige geen enkele rol. Het gaat Hem om een vanzelfsprekende aandacht voor het machteloze; om warmte brengen voor de kwetsbare, bijstand verlenen aan hen die uitgestoten lijken. Niets in die verhalen laat ons rustig achterover leunen, want ze schetsen een beeld van een compleet omgekeerde wereld. De machtige komt naar de machteloze, de grote komt naar de kleine, de adel komt naar het plebs,
God komt naar de mens en wordt de kern van zijn bestaan.
 
Hij legde Zijn hand op mijn hoofd, zegt de dichter. Ik ga met Hem al een leven. Hij weet hoe verder. Ik niet. Ik weet het niet: is een klein, maar sterk zinnetje. Het nodigt uit tot verder zoeken, waardoor we nieuwe dingen ontdekken en rijker worden. Onze kracht is dat we ons leven in overeenstemming met onze toekomstdromen kunnen brengen. Daar is geen vast recept voor, dat is elke dag opnieuw op weg gaan om iets van het visioen waar te maken. En bidden dat al het ongeluk in deze wereld ons niet moedeloos en passief maakt. Dat is weten in wat voor wereld we willen leven en alles weigeren wat daar niet mee strookt. Reiken naar omhoog, ook al is het in grote twijfel en ‘Waar blijf Je’, roepen,
‘Je zou toch komen?’ Dat is gaan zingen als de nacht nog donker is.
 
Hoe het verder moet met ons, met de kerk en met onze wereld weten we vaak niet. Geloof biedt geen zekerheden, maar drijft op vertrouwen, tegen beter weten in. Op het vertrouwen dat het licht het zal winnen, op de vrede op aarde waarover de engelen in de nacht waarin het kind geboren werd, zongen. Zou dat vertrouwen ons ook niet méér helpen dan vaste overtuigingen, onweerlegbare feiten en gedegen kennis? Als we daarover zouden kunnen beschikken, zou dat ons niet onbuigzaam en onbenaderbaar maken? Juist ons niet-weten maakt dat we Advent kunnen vieren. Omdat we zo ontvankelijk zijn voor ons iets dat ons verstand te boven gaat. Iets ‘van alzo hoge’, dat ons raakt en hoop geeft.
 
Die hoop is even zwak en sterk als de garantie die een Parijse vader aan zijn zoontje gaf, op een plaats waar de slachtoffers van de aanslagen in november 2015 herdacht werden met bloemen en kaarsen.
“Er zijn slechteriken papa. Ze hebben geweren en zij kunnen ons neerschieten
want ze zijn heel, heel slecht papa.”
“Klopt, ze hebben geweren, maar wij hebben bloemen.”
“Ja maar , de bloemen die doen niks….zijn de bloemen om ons te beschermen?”
Zijn vader knikt. En de kaarsjes ook?”
“”De kaarsjes “.zegt vader, “zijn er om de mensen die vertrokken zijn, niet te
vergeten.”
Het zoontje: “Ah, de bloemen en de kaarsjes zijn er om ons te beschermen .”
Zijn vader: “ja”. Dan verschijnt er een glimlach om de mond van het jongetje.
Misschien is dat de kern van geloof; geloof in de glimlach, in bloemen,
in kaarsen, een wolf en een lam in dezelfde wei, in een kind dat speelt bij het hol van een slang. Vertrouwen op een God van ver en dichtbij.
 
En komt hij niet… Denk niet dat Hij je dan bedroog. Troost je. Hij hoort je van verre. De God van het koninkrijk waar gerechtigheid woont, van dat dromenland, is er nooit helemaal, Hij komt altijd. Hij is immers niet de God van het bestaande, maar van het komende. Altijd onderweg naar die nieuwe aarde, waar naamlozen een nieuwe naam krijgen en slaven vrij worden. Waar de geest van inzicht en wijsheid, van kracht en kennis heerst. Soms weten we dat die God heel dichtbij is, vaak lijkt Hij mijlenver weg. Soms dromen we van dat nieuwe land, vaak twijfelen we er aan. Want leven met de Eeuwige is niet iets als een voortdurend stijgende lijn. Omgaan met Hem is een groeiproces in omgekeerde richting, worden als een kind. Zoals dat jongetje in Parijs, dat kind uit Bethlehem dat een mens werd levend vanuit de liefde. Immanuel: God met ons.
 
Advent: het visioen van geluk en waardigheid voor alle mensen. Dat visioen is niet alleen maar een mooie droom. Het wijst een richting die velen al zijn ingeslagen en die vervolgens de wereld ten goede hebben veranderd. Die weg gaan gaat niet vanzelf, het is een keuze die elke dag opnieuw gemaakt moet worden. Dat betekent ook dat we beseffen dat er een appel op ons gedaan wordt. Het licht scheen in de duisternis. Daar moeten we dus zijn, in de duisternis.
Daar verandert de wereld.
 
De Eeuwige sluit geen mensen uit, dus is onze opdracht dat ook niet te doen.
De vluchteling, de eenzame, het slachtoffer van geweld tegen homo’s, de zieke buren, de overspannen ouders, het gebombardeerde kind. Ze steken hun handen uit: ‘Waar blijf je, vragen ze ons, je zou toch komen?’ We kunnen er niet aan voorbij gaan. Als we vertrouwen op een God die ons nabij is, dan ontkomen we er niet aan die God ook te lezen in elkaars gezicht. Dat is vaak hard werken. Steeds weer moeite blijven doen om ons in te zetten voor een ander, zeker als die ander dat niet lijkt te waarderen of hulp afhoudt. We moeten ons steeds inspannen om iets anders te doen dan waartoe we in eerste instantie geneigd zijn, namelijk wegkijken en weglopen. Waar het echter om gaat is: wat voor mens wil ik zijn? Welk lied wil ik zingen? Dat van het pessimisme of dat van het visioen?
 
Advent is een kans om wat ons is gegeven te delen en aan anderen door te geven. Een kans om wat krom is recht te trekken, om wie inslaapt wakker te schudden, om wie hopeloos of radeloos is er weer in te laten geloven. Advent is het licht zien in de duisternis. Alvast de tafel dekken, een stoel aanschuiven en beginnen met zingen. Want het daagt al in het oosten, de nacht is haast voorbij.
 
Dan geven we moed een kans in plaats van cynisme, verlangen in plaats van overtuiging. Dan blijven we uitzien naar die nieuwe hemel en die nieuwe aarde. Dan blijven we hopen; niet omdat het al waar is, maar opdat het waar wórdt. Huub Oosterhuis verwoordde het zo:
 
Sinds onheuglijke tijden
staat de hoop geschreven
dat ooit grote woorden als
'verzoening - leed geleden -
mensenrecht - schoon water - vrede'

tot een nieuwe wereld worden
eindelijk de echte.

In naam van hen die vóór ons waren
en omwille van wie na ons komen

blijf die grote woorden dromen -
laat de hoop niet varen.
 
Ja, Hij zal komen. Daarop vertrouwen is zingen als de nacht nog donker is. Amen.
 

Deel dit