Vrijzinnig geloven

 

VVP

Overdenking 31 oktober 2021

Overdenking 31 oktober 2021

Alex van Ligten is op zondag 31 oktober voorgegaan in de Houtrustkerk. Omdat niet iedereen naar de kerkdiensten kan komen heeft hij de overdenking opgestuurd. Deze kunt u lezen terwijl u de dienst terugkijkt via kerkomroep.
 
Psalm 117
Looft Hem, want….
 
23e Zondag na Pinksteren, 31 oktober 2021,
Den Haag (Houtrustkerk).
Gelezen: Psalm 117, Johannes 14:1-7,9.
Gezongen: Laat ons nu vrolijk zingen (Gezang 20:1,4,5, Liedboek 1973), Psalm 85, Laudate omnes gentes (117d), U kennen, uit en tot U leven (Gezang 75:7,8,9, Liedboek 1973), Zo vriendelijk en veilig als het licht (221).
 
Inleiding
31 oktober. Hervormingsdag. Een vaste burg is onze God. Leve de reformatie. Hiep hiep hoera voor Calvijn. Weet u wat het oecumenisch rooster als lezing voor vandaag heeft aanbevolen? Het verhaal van de tempelreiniging. Dat biedt vrij spel aan de niet al te oecumenische voorgangers om de hervorming als tempelreiniging af te schilderen, en van alle overige om te zeggen dat ‘wij állen, gemeente’, in een permanente staat van hervorming zouden moeten verkeren. Maar in plaats van altijd maar weer rond te dobberen in het brakke watertje van de eigen kerk en wat we wel of niet gemeen hebben met andere genootschappen, zouden we er beter aan doen te luisteren naar het wereldwijde aspect van het boek waar we ons allemaal op beroepen.
 
Door het psalmenboek heen komt het hele scala van menselijke gevoelens aan de orde, ervaringen, reacties op wat er met hen gebeurt, reacties ook op hun God. Klaagzangen over dat het de goddelozen zo goed gaat en de rechtvaardigen het zo zwaar hebben. Allerhande zieleroerselen. Ook uitbundige lofzangen aan het adres van God, met uitgebreide opsommingen van al zijn grote daden in de geschiedenis.
Ik ben er niet bij geweest, maar ik kan me voorstellen dat de wijze rabbijnen (voor de teksten) en de tempeldienaars (voor de muziek) die de psalmen verzamelden en rubriceerden, een zekere moeheid overviel toen ze over de honderd waren.
‘Kunnen we niet eens even af van al die lange liederen,’ verzuchtte er een. ‘Ook eens even géén klachten over de eenzame mens, het onrecht in de samenleving, Gods rol in kwesties van goed en kwaad. Even geen harde noten kraken waarmee predikheren en -dames hun maatschappijkritische preken kunnen vullen.’
‘Maar wat wil je dan?’ vroeg een van de anderen.
‘Een heel eenvoudig, kort liedje dat niets anders bezingt dan de lof van God. Hem prijzen, dat is de beste antistof tegen zwaarmoedigheid.’
‘Maar je kan niet zomaar in den blinde God loven. Er moet toch minstens bij waaróm Hij geloofd kan worden?’
‘Nou ja, hooguit één, twee kernachtige dingen dan.’
Iedereen knikte. Ze keken naar hun papieren, zagen dat ze al tot en met 116 gekomen waren en schreven op een nieuwe bladzij:
 
Psalm 117
Zingt Hem, God-met-ons, de lof toe, alle verre volkeren,
prijst hem, alle volken dichtbij,
want overmatig over ons is zijn liefde,
Zijn trouw is voor eeuwig,
zingt Hem de lof toe.
 
Johannes 14:1-7, 9 [1]
1 Laat je hart niet in beroering komen.
Jullie vertrouwen op God, vertrouw dan ook op mij.
2 In het huis van mijn Vader is plaats voor velen.
Was het anders, zou ik jullie dan hebben gezegd:
‘Ik ga er heen om jullie een plaats te bereiden’?
3 En als ik er heen gegaan ben
en jullie die plaats heb bereid,
kom ik terug en neem jullie op bij mij,
opdat waar ik ben, ook jullie zullen zijn.
4 En waar ik heenga, daarheen weten jullie de weg.
5 Dan zegt Thomas: Heer,
wij weten niet waar u heengaat,
hoe kunnen wij dan de weg weten?
6 En Jezus zegt: Ik ben zelf de weg
en de waarheid en het leven.
Niemand komt tot de Vader dan door mij.
7 Als je mij hebt leren kennen,
dan ken je ook mijn Vader.
Vanaf nu kennen jullie Hem, je hebt Hem gezien.
9 Die mij heeft gezien, hééft de Vader gezien.
 
Kort maar krachtig
De hooipsalm heette het in Friesland, en waarschijnlijk op meer plattelanden. In de tijd van hooien en oogsten moest de warme middagmaaltijd snel naar binnen worden gewerkt, en er moest daarna gewoontegetrouw wel uit de Schrift worden gelezen, maar hoe korter hoe beter. Psalm 117 leek voor die gelegenheid geschreven te zijn.
Hooien en oogsten zijn in elk geval betere redenen voor een extreem korte lezing dan die van een collega van mij, niet vrij van eigendunk, die zei: ‘Ik doe altijd korte stukjes uit de Bijbel, dan heb ik des te meer tijd voor mijn preek.’
 
Waarom deze ultiem korte psalm zó in de Bijbel terecht is gekomen, als het niet vanwege het hooien of ijdele predikheren was, weten we niet. Geleerde mannen beweren dat het ooit het slot van de vorige psalm was, of een uit een ander lied geplukt refrein, maar dat is ook maar giswerk. Ik houd het op wat ik in mijn inleiding suggereerde: ze wilden, temidden van het vele en rijke van de rest van de psalmen één keer alles zo kort en bondig zeggen als maar mogelijk was. Kort maar uiterst krachtig.
Wie dit geschreven heeft, is onbekend. Nou nee, de uitgevers van het nieuwe liedboek weten het wel! Die laten via de website kerkliedwiki.nl weten: ‘De tekst is auteursrechtelijk beschermd en kan daarom hier niet worden weergegeven’. Dus ze hebben kennelijk niet alleen een auteur, maar ook nog een die in leven is, want anders vervallen de rechten, zou je zeggen. Ergerlijke flauwekul natuurlijk, niets vreselijkers dan mensen die via religieuze artikelen hun eigen gevulde zakken met copyrights gaan beschermen. De Bijbel en de kerkliederen zijn van iedereen. Zo universeel als de psalm zelf is, zo ruim is ook het recht van kopiëren voor iedereen, de genade strekt zich zelfs uit tot uitgevers en bijbelgenootschappen. Ook zij mogen er deel aan hebben, maar het niet voor zichzelf inpikken.
 
Luther – het is vandaag toch wel goed om van onze niet onomstreden eigen kerkvorst iets goeds te citeren –, zegt dat het grote nut en het aangename van deze kleine psalm is dat dit lied voor iedereen begrijpelijk is; niemand kan klagen dat het te lang is of te moeilijk: het zijn korte, heldere, vriendelijke, gewone woorden die iedereen zonder moeite begrijpen kan.’ [2]
 
Een maar
Temidden van de 149 overige psalmen is Psalm 117 een soort protestlied: tegen alle ingewikkelde zaken des levens, de zorgen groot en klein, de onvermijdelijkheid, het altijd van ons vereiste op-scherp-staan bij alles wat ons dagelijks aan nieuws overspoelt.
Hier wordt alles tot de kern teruggebracht: lof toezingen aan God, de betrouwbare en liefdevolle, de God die wij waarheid en goedertierenheid toeschrijven.
Maar…. Twee maren zelfs. Maar 1: God loven en prijzen, dat zetten wij meteen in de hoek van mensen die dat op een zeer uitbundige manier doen. Handen in de lucht, ogen dicht, heer en weer wiegen, veel halleluja’s. Dat is niet meer uitsluitend in de pinkstergemeentes, ook in onze kerken zijn er speciale diensten voor gekomen, en naar het land waar we altijd alles van imiteren heten het dan Praise-diensten. Ik heb me de keren dat ik dat meemaakte nooit op m’n gemak gevoeld. Ik kan me voorstellen dat ik, in wat we vroeger negerkerken noemden in het zuiden van de Verenigde Staten, spontaan zou gaan meeswingen als iedereen in beweging kwam bij een gospel van een zangeres van Aretha Franklinachtige kwaliteit, maar hier, in de eigen omgeving, deze moerasdelta van de Rijn waarin wij leven, doet het mij te geforceerd aan. De mensen die er wel iets bij voelen, gun ik het van harte om hun geloof zo te beleven, maar zelf meedoen wil me niet lukken. Helemaal sneu is het als zo’n tamelijk stijve Nederlandse gemeente, getraind in het stilzitten, opeens wordt opgeroepen om met een lied mee te klappen. Dan klappen sommige gemeenteleden op zijn allerzuinigst, met duidelijke tegenzin, en anderen juist overdreven. En het meest sneue gedrag vertoon ik zelf daartussen, helemaal níet klappend, maar wachtend tot het voorbij is. ‘Gewoon’ kan het nooit, omdat we het nu eenmaal niet gewoon zijn.
 
Er zijn gelukkig ook ingetogener versies van het lofprijzen te verkrijgen. De liederen die wij vanmorgen zingen getuigen daarvan: je kunt vrolijk zingen zonder meteen op de banken te hoeven klimmen met zwaaisjaaltjes. Je kunt alle volken, omnes gentes, oproepen tot de lofzang op de wijze van de monniken van Taizé. Je kunt van binnen jubelen, zonder dat je dat meteen in lichaamsbewegingen omzet. Zoals je ook in een huiskamer hevig verliefd kunt zitten zijn zonder dat je bij noodweer dansend op straat ‘Singing in the rain’ gaat zingen.
 
Nog een maar
Maar 2: wie of wat lofprijzen wij dan precies als we God de lof toezingen? God is een vaag begrip geworden. Aan wat men God noemde in de geschiedenis is van alles toegeschreven waar wij grote vraagtekens bij zetten. Er is te kwezelig met God omgegaan. En er is zoveel vergoddelijkt op aarde, dat we met iets of iemand God noemen een beetje voorzichtig zijn geworden.
De psalm sluit al een flink aantal misverstanden uit. De Naam van Israëls God staat er, tot driemaal toe. Nou ja, eigenlijk twee-en-een-half keer: in het slotwoord ‘hallelu-jah’ is dat ‘Jah’ de verkorte vorm van de Godsnaam J-h-w-h, die ik weergaf met God-met-ons. De Aanwezige, de Altijd Nabije. Dat is zijn Naam. Die God, en alles wat met Hem verbonden wordt aan goedheid.
Dat is ook sterk in dit kleine lied: we worden opgeroepen Hem te prijzen want . Er wordt een goede reden bijgegeven die tevens zegt wie de God met deze Naam is: zijn liefde omgeeft ons, overspoelt ons, zijn trouw is voor eeuwig. Dat is niet mis te verstaan, integendeel: het is zelfs uit te breiden, want dat woord voor liefde hier betekent ook goedgunstigheid, toewijding, genade, vriendschap ook. En het woord voor trouw is in het Hebreeuws hetzelfde als waarheid. Ware trouw, betrouwbare waarheid. Waar vriendschap is en trouw, daar is God. Daar is althans iets van Hem te vinden. Dat loven en prijzen we, en we zeggen daarmee dat het, de hemel zij dank, hier op aarde te vinden is. Dat ze gebeuren, in alle waarachtigheid en goedheid die mensen elkaar aandoen. Daarom is de lofprijzing van de God-met-de-Naam een lofprijzing van alles wat er goed gaat tussen mensen, het is de lof zingen van een waardevol leven, dwars tegen alle somberheden en onheilsvoorspellingen in.
De Amerikaanse theoloog Frank A. Ballard [3] noemde de lofprijzing een tegengif tegen depressie en zorgen. Die gaan van groot tot klein, van zorgen over de kinderen of een zieke vader of moeder tot de zorgen over het halen van de trein van 8.20 uur. We liggen soms wakker van niks, of van zaken waar we geen invloed op kunnen uitoefenen. Daardoorheen breken, en dan zingen of muziek maken, dat helpt. Zegt Frank Ballard. Misschien stelt hij de zaken te simpel voor, maar misschien heeft hij ook gelijk. Er is een legende over Franciscus van Assisi, die tijdens een depressieve periode in zijn leven vroeg om een gitaar. Zijn naaste medewerkers vonden dat een veel te ordinair instrument voor hun heilige leider, dus hij kreeg geen gitaar. God was het daar niet mee eens, dat-ie geen gitaar kreeg. De nacht daarop zond Hij een engel uit de hemel om muziek voor Franciscus te maken. Dat maakte dat Franciscus al zijn pijn vergat.
 
De knecht van Whitelocke
Wat de psalm mogelijk ook bedoelt, of in elk geval teweeg kan brengen, is dat het je helpt je eigen lot te relativeren. Het kan je helpen je niet geheel en al in de ban te houden van wat je bezighoudt en/of verwart.
 
Het leven van de Engelse ambassadeur Whitelocke was vol zorgen, als afgezant in een land, Zweden, waar het wantrouwen tegen het perfide Albion groot was. Door zijn gepieker kon hij de slaap niet vatten.
Zijn huisknecht zei tegen hem: ‘Heer, mag ik u iets vragen?’
‘Natuurlijk,’ zei de ambassadeur.
‘Heer, bestuurde God deze wereld voordat u ter wereld kwam?’
‘Ongetwijfeld.’
‘En zal Hij haar nog steeds besturen als u de wereld hebt verlaten?’
‘Jazeker.’
‘Kunt u Hem dan niet toevertrouwen de wereld te besturen terwijl u ín deze wereld bent?’
De vermoeide ambassadeur draaide zich op zijn zij en viel in slaap. [4]
 
 
Weg, waarheid, leven
De twee letterlijk veelbetekenende woorden uit de psalm komen uitgebreid aan de orde in de Torah- en Profetenboeken, en opnieuw in het evangelie. Van de liefde en de barmhartigheid getuigt heel het leven van Jezus, en waarheid en trouw zijn de leidraad in al zijn woorden.
 
Van al zijn woorden is trouwens het zinnetje ‘niemand komt tot de Vader dan door mij’ een van de meest misverstane. In de kerkgeschiedenis betekende het vrijwel altijd dat alle mensen ter wereld, goedschiks of kwaadschiks, het christelijk geloof van de overheersers, de kolonialisten moesten aannemen. Ook Joden, die als halve heidenen beschouwd werden, dus nog moeilijker te bekeren dan hele heidenen.
Mooi was daarom, nu honderd jaar geleden, de correctie van Franz Rosenzweig, die zei: ‘Voor de christenen geldt dit zeker. Voor hun is Jezus degene die hen de wereld van het ware geloof binnenleidt. Hij is voor hen de deur. Maar wij Joden zíjn al binnen.’ Sindsdien is het begonnen het Jodendom als gelijkwaardig aan het chistendom te beschouwen. Nog niet overal en bij iedereen, maar gelukkig in grote delen van de kerk wel.
 
Dan die grote woorden uit Johannes 14 die Jezus laat horen tegen alle machten en krachten die zich in deze wereld breed maken, tegen het ellebogenwerk, het gekuip en gekonkel van grote en kleine machtswellustelingen. Hij betrekt die woorden op zichzelf: ‘Ik ben de weg, de waarheid en het leven.’
De machten dezer wereld, het grote agressieve heidendom, zijn geen weg, noch waarheid noch leven, ze hèbben ook geen weg, ze vrágen niet naar waarheid, ze verachten het leven, tenzij het een leven van macht en geweld is.’ [5]
 
De hele Bijbel is één groot woord van verzet tegen die levenshouding. In navolging van de Messias willen wij de weg gaan die de Torah ons opstuurt, de waarheid koesteren van Israëls Schriften en erop vertrouwen dat het ware leven begint als wij de weg in waarheid willen afleggen. Met een vrolijk hart, dat we er gratis bij krijgen wanneer we instemmen met allen die God lofzingen, ‘want Hij deed ons van het begin verrukkelijke dingen.’ [6]
 
Zo moge het zijn.
1 Vertaling, met enige amendementen, van Marie van der Zeyde, Het is altijd geweest, het Woord (1989), 64,65.
2 Martin Luther, Weimarer Ausgabe 31,1, 291ff.
3 In zijn Exposition bij Psalm 117 in The Interpreter’s Bible IV, Psalms and Proverbs (1955), 614-616.
4 W.R. Inge, Lay thoughts of a dean (1926), 215.
5 K.H. Miskotte, Edda en Thora (1939), 200.
6 Zinsnede uit het lied ‘Zingt nu Heer, stemt allen in’, Gezang 169 in het Liedboek voor de kerken (1973).

Deel dit