Vrijzinnig geloven

 

VVP

Even een groet - 49

Even een groet - 49

De goddelijke ironie van Reve - Gerard Reve was een van de weinigen die me nog kon raken als het om God ging toen ik ooit de kerk verliet en het geloof met niets meer zei. De speelse ironie van 'Neerlands meest gezegende woordkunstenaar' bleef ...
 
... ik een verademing vinden. Bij deze reviaanse kronkels die al ons gebazel over God relativeren en ademruimte geven. Over de plus en de min van ons bestaan: de liefde en de dood...
 
[Uit een interview van Michiel Schmidt met Reve dat in 1969 verscheen in literair tijdschrift 'Tirade':]
 
Het is u al vaak gevraagd: wie is God voor u? Hoe manifesteert Hij zich, of: waarin is Hij juist afwezig?
 
Vooruit maar weer. Eèn ouwehoer kan meer vragen dan tien romanschrijvers kunnen beantwoorden. Ik twijfel langzamerhand ernstig, of er over dit onderwerp eigenlijk wel een gedachtenwisseling en een gesprek mogelijk is. Laat ik maar, net als die boekhouder tegen zijn baas, zeggen: geld zal ik u misschien wel eens schuldig blijven, maar een antwoord zal ik u nooit schuldig blijven. Ik vind, wat de mensen over God zeggen of schrijven, meestal erg vermoeiend, dom, en vervelend. Ze willen God op de foto hebben, of in een doos, en liefst in een stopfles. Ze willen zijn soortgelijk gewicht weten. En als dat niet lukt, dan worden ze nijdig, net als Jan Wolkers, of dat malle volkje van Vrij Nederland: dan schrijven ze god, zonder hoofdletter, en denken ze hem daarmee wel klein te krijgen. Wat een bijgelovig troepje, vindt u niet?
 
Ik weet niets met zekerheid, maar ik aanvaard, wat ik als eigen ervaring onderga. Ik weet niet, of de Glorievolle en Gezegende Maagd, die alles weet en alles begrijpt, Medeverlosseres, Moeder van God en daarmede van ons allen, werkelijk bestaat. Maar als zij vermag, wat geen arts, priester, psychiater, vriend – zelfs Teigetje nog niet eens – ooit gelukt is, en mij uit de kruik en de fles heeft weten te trekken, dan is mij dat voldoende, en hoef ik haar ventvergunning, rijbewijs, trouwboekje, hengelakte of luistervergunning niet te zien. Of God bestaat, weet ik niet, en kan ik ook nooit weten. Maar als hij zich in mijn leven aan mij openbaart, is mij dat genoeg, en vraag ik niet verder. Waarschijnlijk heeft God het bestaan niet eens van node, om zich te openbaren.
 
Je kunt jezelf dit onderwerp net zo moeilijk maken als je zelf wilt. Kijk: er zijn mensen die zeggen, dat de roman dood is, maar ze bedoelen eigenlijk, dat zij niet in staat zijn, een roman te schrijven. Er zijn mensen, die beweren dat de figuratieve kunst dood is, maar ze bedoelen dat zij niet in staat zijn, naar de natuur te tekenen of te schilderen, of althans het vermogen missen, het grenzeloze en onmetelijke mysterie aanwezig te zien in elke boom, in elk gezicht, elke wolk, elk dier. Zo zijn er ook mensen, die zeggen dat God dood is, maar ze bedoelen, dat God zich aan hen niet openbaart, omdat zij voor hem geen tijd hebben. God heeft zich geopenbaard, openbaart zich, en zal zich, in alle eeuwigheid, openbaren aan een ieder, die tijd voor hem heeft.
 
Wat bedoelt u met de eerste regel van ‘Bekentenis’: "Voordat ik in de Nacht ga die voor eeuwig lichtloos gloeit?" God, Dood, Melancholie?
 
De Dood, niets anders. Maar ja, ik zie God en de Dood ook wel eens als identiek, dus u mag van mij tussen de eerste twee zelf kiezen.
 
Wat is voor u het meest essentiële in het leven ‘op deze droeve aardkorst'?
 
De Liefde. De Liefde is de enige, de eerste en de laatste werkelijkheid. Liefgehad worden en liefhebben – ik geloof niet, dat het menselijk drama ooit ergens anders om draait. Geloven en liefhebben, dat is eigenlijk hetzelfde. Wie liefheeft, wie werkelijk in staat is met geheel zijn hart, en onvoorwaardelijk, lief te hebben die is eeuwig. Wie liefheeft, die heeft de Dood overwonnen. Dat staat trouwens ook geschreven. ‘Want als iemand liefheeft, is hij in God, en God in hem,’ staat er ongeveer: mijn bijbel ligt in mijn andere huis, maar daar komt het op neer. God is de liefde. Ik zou het Cogito ergo sum, ‘Ik denk, dus ik ben’ het liefst willen vervangen door Possum amare, ergo sum, ‘Ik kan liefhebben, dus ik ben’. Wij kunnen liefhebben, omdat wij ‘van Gods geslacht’ zijn en een met God onverbrekelijk verbonden bestemming in ons meedragen. Nee, de bakker geeft er geen brood voor, voor wat ik nu zeg, dat weet ik ook wel, maar dat betekent nog niet dat het daarom niet waar zou zijn. De mens leeft niet bij brood alleen. Zoals Christus God en Mens is in één Wezen, zo is de mens engel en roofdier, God en Beest, in één schepsel.
 
Met een groet,
Karl van Klaveren

Deel dit