Vrijzinnig geloven

 

VVP

Inclusie en zingeving

Inclusie en zingeving

Op vrijdag 15 oktober 2021 heeft ds. Karl van Klaveren, predikant van de Houtrustkerk, gesproken voor de Hindoe Ouderen Bond over het thema ‘Inclusie, integratie en zingeving’. Hij stuurde de tekst zodat iedereen deze kan meelezen.
 
Inclusie, Integratie en zingeving’
 
Lezing voor de Hindoe Ouderbond te Den Haag
op vrijdag 15 oktber 2021
 
 
 
Lieve mensen,
 
dank voor de uitnodiging om hier in uw midden aanwezig te zijn vanmiddag.
 
De heer Mathura was zo vriendelijk om mij te vragen als spreker.
 
Hij vroeg me om voor u te spreken over het thema: ‘Inclusie, integratie en zingeving’.
 
Een mondvol moeilijke woorden,
 
die zoals we zullen zien bijzonder actueel zijn.
 
Ze raken aan de geschiedenis van ons land, maar ook aan de problemen die vandaag de dag spelen.
 
Dat u juist mij hebt uitgenodigd om dat te doen is op zich al een statement dat te maken heeft met het thema.
 
Want ik ben een bakra.
 
Het feit dat juist ik hier tot u mag spreken is op zich al een daad van inclusie.
 
Waarvoor mijn dank en respect.
 
 ⌘
 
Toen mijn hindoestaanse vrouw Indra ooit tegen een vriendin vertelde dat ze een relatie had met een witte Nederlander zei haar vriendin: ‘Ja, waarom niet. Bakra’s zijn ook mensen.’
 
Aangemoedigd door die woorden sla ik me sindsdien met een brede glimlach door het leven.
 
Ik vond die opmerking werelds: ‘Bakra’s zijn ook mensen.’
 
Het zette de wereld voor mij even op heilzame wijze op de kop.
 
 
Nee, zonder dollen.
 
Laat ik mezelf voorstellen en deze bakra wat meer gezicht geven voor u.
 
Mijn naam is Karl van Klaveren.
 
Ik ben predikant van de vrijzinnig protestantse Houtrustkerk in Den Haag, een klein kerkje aan het einde van de Beeklaan.
 
Het is een bescheiden geloofsgemeenschap die je de liberale vleugel van de PKN zou kunnen noemen.
 
PKN staat voor Protestantse Kerk Nederland en het is de grootste protestantse kerk van Nederland.
 
Het mooie van deze kerk is dat het verschillende spiritualiteiten herbergt onder één dak.
 
De PKN kent een orthodoxe vleugel en een vrijzinnige vleugel en een grote middengroep, drie groepen die elkaar tolereren en respecteren en samen kerk zijn.
 
Ik denk dat uniek is in de wereld: een kerk met verschillende vleugels.
 
Hoe is de PKN ontstaan?
 
De PKN ontstond aan het begin van de 21e eeuw toen de Nederlandse Hervormde en de Gereformeerde kerk besloten om samen verder te gaan onder één naam.
 
Dat was het resultaat van een jarenlang samen-op-weg-proces waarin twee kerkgenootschappen die elkaar jarenlang hadden verketterd naar elkaar toegroeiden en uiteindelijk, na honderd jaar weer één werden.
 
Een mooi voorbeeld van integratie, zou je zeggen.
 
Maar dat was het niet.
 
 
Want wat deze twee kerken deden was niet integreren, maar assimileren.
 
Ja, dat is misschien wel belangrijk om duidelijk te stellen aan het begin van mijn betoog: ‘assimileren’ is iets heel anders dan ‘integreren’.
 
Assimilatie betekent dat je twee culturen, of in dit geval kerken, samenvoegt en er één geheel van maakt, waarbij je ernaar streeft dat de verschillen verdwijnen.
 
 
Het is nog maar de vraag of een dergelijke politiek op de samenleving kan worden toegepast.
 
Bij de PKN ging het om twee kerken die honderd jaar geleden één waren, maar door een interne discussie uit elkaar gingen.
 
In zo’n geval ligt assimilatie voor de hand: want de eenheid vormde een deel van het verleden.
 
Maar in het geval van een multiculturele samenleving is zo’n vooraf gegroeide eenheid er niet.
 
Het is dan nog maar de vraag of de term en de techniek van assimilatie geschikt is om de cohesie en de samenhang tussen de verschillende culturen die ons land rijk is te bevorderen.
 
In het meest extreme geval zou assimilatie betekenen dat burgers worden opgeroepen om dezelfde levensbeschouwing te aanvaarden.
 
Dat zou in feite betekenen dat je burgers de vrijheid ontneemt om verschillende religies te belijden.
 
Dat kan natuurlijk niet.
 
Dat gaat in tegen de vrijheid van godsdienst, een van de meest wezenlijke artikelen van de Nederlandse grondwet.
 
Voor dat artikel is eeuwenlang gestreden om een einde te maken aan de voortdurende strijd die er was tussen verschillende christelijke kerken in Europa.
 
Kortom, religieuze assimilatie is een no go area.
 
En toch zijn er vandaag de dag in Nederland opnieuw politieke partijen die vraagtekens stellen bij de vrijheid van godsdienst.
 
Zo gaat de PVV, de Partij voor de Vrijheid, zo ver dat ze ons land wil de-islamitiseren, waarbij ze oproept om moskeën te sluiten en de Koran te verbieden.
 
Buitenlanders dienen zich volgens deze partij geheel aan te passen aan de Nederlandse cultuur.
 
Ze dienen te assimileren.
 
 
Een ander punt dat raakt aan assimilatie en de gemoederen beweegt is het hebben van een dubbele nationaliteit.
 
Verschillende politieke partijen vragen zich af of we er goed aan doen dat mensen twee paspoorten kunnen hebben, en daarmee een loyaliteit bewaren naar twee culturen die zover gaat dat ze staatsburger zijn van twee landen.
 
Ik denk dat als ik deze vraag in u midden zou opwerpen, er op dit punt verschillende meningen zullen zijn.
 
Laten we het eens proberen.
 
Wie van u vindt dat een Nederlands staatsburger twee paspoorten moet kunnen hebben?
 
(...)
 
 
Een derde kwestie waarbij vaak een beroep wordt gedaan op assimilatie is die van de taal.
 
De zaak is hier aanmerkelijk ingewikkelder dan bij de vrijheid van godsdienst.
 
Mag je van mensen die in Nederland wonen, ja, Nederlands staatsburger zijn, eisen dat ze de Nederlandse taal leren?
 
Of gaat dat te ver en doen we er beter aan om zoals dat tot in de jaren tachtig gebruikelijk was mensen vrij te laten of ze wel of niet de Nederlandse taal willen leren?
 
Wat vindt u?
 
Hoort het verplicht leren van de Nederlandse taal bij het integratieproces, of gaat dat in de richting van assimilatiedwang?
 
Wie vindt van wel? (...)
 
Wie vindt van niet? (...)
 
 
Het zal duidelijk zijn dat assimilatie gevoelig ligt.
 
Daarom spreken we vandaag de dag liever over integratie.
 
Integratie is niet alleen een vriendelijker woord.
 
Het heeft ook een heel andere betekenis.
 
Met ‘integratie’ bedoelen we het streven om mensen met behoud van hun eigen cultuur in te voegen in de Nederlandse samenleving.
 
Bij integratie word je Nederlander zonder dat je je oorspronkelijke culturele identiteit opgeeft. Je assimileert niet, maar integreert.
 
Integratie haalt de angel uit het debat rond aanpassing en maakt een multiculturele samenleving mogelijk.
 
 
Je kunt van nieuwe medeburgers niet vragen om zich geheel aan te passen aan de dominante cultuur.
 
Niet alleen omdat je daarmee mensen hun vrijheid afneemt.
 
Maar ook om andere redenen.
 
Het is namelijk nog maar de vraag waaraan die nieuwkomers zich moeten aanpassen.
 
Over aanpassing aan de Nederlandse taal worden we het misschien nog wel eens.
 
Er zullen denk ik weinig mensen zijn die het een goede zaak vinden dat we in ons land meerdere talen gaan spreken met het risico dat we elkaar niet meer verstaan.
 
Maar op het gebied van cultuur ligt de zaak complexer.
 
Je kunt van nieuwe Nederlanders moeilijk vragen om hun gewoonten en gebruiken af te leggen en zich geheel aan te passen aan de gebruiken van autochtone Nederlanders.
 
Denk alleen maar even aan de eetgewoonten.
 
Je kunt niet van nieuwe Nederlanders vragen om anders te gaan koken.
 
Bovendien: de oude Nederlanders zijn sinds de komst van de allochtone keuken zelf ook anders gaan eten.
 
Als autochtone Nederlanders het hebben over het burgerlijke Nederland van de jaren vijftig waar ze absoluut niet naar terug willen dan spreken ze over ‘spruitjeslucht’.
 
Spruitjes zijn een symbool geworden van een ouderwets en achterhaald Nederland, kleinburgerlijk en benepen.
 
 
En dan nog iets.
 
Ook een probleem.
 
Er bestaat goed beschouwd niet echt een Nederlandse cultuur.
 
Er bestaan slechts verschillende Nederlandse subculturen, waarbij het platteland verschilt van de stad, het Noorden een heel ander karakter heeft dan het Zuiden, en je Holland en Limburg gerust verschillende werelden kunt noemen.
 
Om nog maar te zwijgen over de tegenstellingen die er hier in Den Haag zijn tussen Hagenaars en Hagenezen.
 
Er bestaat geen gezamenlijke Nederlandse cultuurnorm, die alle burgers van dit land delen.
 
Zelfs het beruchte Sinterklaasfeest niet, ook al wordt dat door sommige groepen als culturele standaard opgevoerd.
 
Zo zijn er streng gereformeerde groepen in Nederland die het Sinterklaasfeest principieel niet vieren omdat het een katholiek feest is.
 
Hetzelfde geldt voor de kleur Oranje, die ons allen zou binden.
 
Er zijn heel wat republikeinen in ons land die niets met het Oranjehuis hebben.
 
Nee, het verschil in gewoonten is zo groot dat koningin Maxima ooit uitriep: ‘De Nederlander? De Nederlander bestaat niet.’
 
En dat is niet alleen nu zo – dat is altijd zo geweest.
 
Ik wil u daarvan een mooi historisch voorbeeld geven.
 
 
Aan het einde van de 19e eeuw – inmiddels 150 jaar geleden – was er zoveel onderlinge culturele strijd in ons land dat men een zuilenstelsel bedacht om de soms harde botsingen tussen de verschillende groepen in goede banen te leiden.
 
Nederland was verdeeld tussen liberalen en socialisten, katholieken en protestanten, die elkaar behoorlijk discrimineerden.
 
Door elke groep een eigen zuil, een soort cultureel eilandje te gunnen, wist men de vrede min of meer te herstellen.
 
Iedere groep kreeg zijn eigen scholen, zijn eigen ziekenhuis, zijn eigen omroep, ja, zelfs zijn eigen winkels en verenigingen.
 
Het hoogtepunt van dit cultureel opknippen van Nederland was de gereformeerde geitenfokvereniging.
 
En ja, en je had ook een katholieke variant.
 
Mensen uit verschillende culturele groepen wilden letterlijk niets van elkaar weten.
 
 
Nu had de verzuiling natuurlijk ook goede kanten.
 
Het heeft er bijvoorbeeld toe geleid dat een aantal groepen emancipeerden in eigen kring.
 
Het gaf ook een zekere veiligheid.
 
Het was een manier om de diversiteit te behoeden.
 
Nee, ik wil het zuilenstelsel niet afdoen als een soort apartheidssysteem waarin verkettering de norm was.
 
Het had ook goede kanten.
 
Maar die kwamen pas echt boven drijven toen het veroordelen van elkaar na de oorlog verdween en mensen in de verschillende zuilen nieuwsgierig werden naar elkaar.
 
De tijd van de doorbraak werd dat genoemd.
 
Op kerkelijk gebied noemde men het oecumene.
 
Gereformeerden, liberalen en communisten hadden elkaar in de oorlog gevonden in hun gezamenlijk verzet tegen de Duitse bezetter.
 
Ze hadden goed samengewerkt, over de grenzen van de zuilen heen.
 
Daardoor ontstond er na de oorlog steeds meer samenwerking.
 
En zo zakte het zuilenstelsel langzaam in elkaar.
 
Er werd steeds meer onderling getrouwd, gemengde huwelijken waren niet langer taboe.
 
Het vormde de basis van een nieuwe tijd waarin toenadering en integratie de dienst gingen uitmaken in de Nederlandse cultuur.
 
Die tendens werd ook bevorderd doordat mensen minder zeker werden van hun overtuiging.
 
De katholieken en de protestanten, maar ook de socialisten zagen hun ideologisch bouwwerk afbrokkelen.
 
De secularisatie trof allereerst de kerk, maar later ook – na de val van de muur – de grote verhalen van socialisten en communisten.
 
Ja, anno 2021 zijn we zelfs gaan twijfelen aan het liberalisme.
 
Alle zuilen wankelen of zijn gevallen.
 
En wat dan overblijft is de natiestaat, de nationale identiteit die we met elkaar delen.
 
 
Dat zal de reden zijn dat we juist nu het nationalisme sterk zien groeien.
 
Het behoren tot dezelfde natie, tot dezelfde Nederlandse cultuur, geeft een gevoel van eenheid.
 
Een gevoel waarnaar iedereen op zoek is in deze sterk geïndividualiseerde tijd.
 
Daarbij valt op dat het vooral nationale overwinningen op sportgebied zijn die ons binden.
 
Het was dan ook een slimme zet van Willem Alexander om het Oranjegevoel, dat in de jaren zeventig een beetje was verbleekt, weer op de kaart te zetten door het te koppelen aan voetbal en de Olympische Spelen.
 
Hij deed dat door al heel jong lid te worden van het Internationaal Olympisch Comité, maar ook zelf de Elfstedentocht te schaatsen.
 
 
Cohesie en maatschappelijke samenhang zijn belangrijk voor een land.
 
Culturen hebben die samenhang meestal van zichzelf.
 
Maar landen en naties niet.
 
Landen en naties bestaan vaak uit verschillende culturen: vroeger waren dat de katholieke, protestantse, socialistische en liberale cultuur; nu zijn dat de Chinese, Marokkaanse, Turkse, Surinaamse cultuur naast de Hollandse, de Limburgse, de Friese, de Zeeuwse en de Twentse.
 
Al die verschillen vragen om een gezamenlijke noemer.
 
Vragen om samenhang.
 
Voor die samenhang hebben we het woord ‘integratie’ gemunt.
 
 
Hoe integreren we al die verschillende culturen van ons land?
 
Hoe maken we ze tot een geheel zonder dat we de culturele verschillen uitwissen en naar assimilatie streven?
 
En waar liggen de grenzen van integratie?
 
Bij de taal?
 
Bij twee paspoorten?
 
Daarover kunnen we straks na de pauze discussieren als u dat wilt.
 
Maar ik zou nu allereerst aandacht willen vragen voor een aspect dat vaak wordt vergeten als het gaat om integratie.
 
Namelijk de vraag wat we zelf doen om te integreren.
 
Wat doen u en ik zelf om te integreren in de cultuur van een ander.
 
Een van de meest wijze spreuken die ons land kent is ‘Verbeter de wereld en begin bij jezelf’.
 
Vanuit die gedachte zou ik eens naar het integratieprobleem willen kijken.
 
 
Ik heb namelijk de indruk dat we in Nederland nog steeds ieder in ons eigen hoekje, op ons eigen eilandje leven.
 
Er staan weliswaar geen hekken meer om de verschillende subculturen, maar het is nog te vaak zo dat mensen van een bepaalde afkomst vooral elkaar opzoeken.
 
Ook in kerken, moskeeën en mandirs.
 
 
Ik ben zelf dominee van een kerk in het rijkere deel van Den Haag.
 
Niet ver van ons vandaan ligt het gebouw van de EBG, de Evangelische Broedergemeenschap.
 
Die kerk bestaat voornamelijk uit zwarte Surinamers.
 
Deze zogenaamde Hernhutters waren heel actief in Suriname.
 
Ze bedreven vooral zending onder de slaven.
 
Sommige missionarissen van dit kerkgenootschap verkochten zich zelf als slaaf om mensen te bekeren die slaaf waren.
 
De EBG is dus een zwarte kerk.
 
Maar onze kerk, die in hetzelfde stadsdeel staat, is geheel wit.
 
Zo zie je maar.
 
Mensen kunnen christen zijn en zeggen dat er geen verschil is tussen blank en zwart, maar ze zoeken toch vaak vooral hun eigen mensen op.
 
 
Hetzelfde gebeurt, zo heb ik gemerkt, in moskeeën.
 
Er is een Surinaamse moskee, een Turkse, een Marokkaanse, een Indonesische, enzovoorts.
 
En zelfs in uw kring, in de hindoestaanse mandirs, schijnt het zo te zijn.
 
Mensen uit India vormen een heel eigen subcultuur in Den Haag, die nauwelijks in aanraking komt met Surinaamse hindoestanen.
 
Zo hoorde ik althans van mijn vrouw, Indra, die in een gesprek dat we hadden moest toegeven dat ze weinig mensen uit India kende, ook al wonen er heel wat in Den Haag.
 
Toen ik erover doorsprak met haar vroeg ik haar waarom ze dacht dat dat zo is. Volgens haar had dat te maken met het kennen van mensen.
 
Je kende daar, in die Indiaase mandirs, niemand, zei ze.
 
Wat denkt u dat de reden is?
 
Misschien kunnen we het er straks na de pauze over hebben.
 
 
Integratie.
 
Het is een zelfstandig naamwoord, maar ik denk dat we er vooral een werkwoord van moeten maken.
 
Ik denk dat we er heel concreet en persoonlijk mee aan de slag moeten.
 
Door mensen op te zoeken die vreemd zijn voor ons.
 
Trouwens, helemaal vreemd zijn die anderen nooit.
 
Er zijn altijd overeenkomsten die mensen binden.
 
En de verschillen die er zijn maken het misschien juist wel spannend, zo’n project.
 
Ja, misschien moeten we dergelijke ontmoetingen vaker organiseren.
 
Het zou ons verrijken als stad, als mens en als cultuur.
 
Ja, ik denk dat we van nature altijd op zoek zijn naar een evenwicht tussen verschil en overeenkomst.
 
Dat is ook de reden waarom tegenpolen vaak met elkaar trouwen.
 
Omdat ze elkaar aanvullen.
 
 
Mijn ideaal als het om integratie gaat is dan ook dat de verschillende culturen in ons land van elkaar leren.
 
Elkaar verrijken.
 
Van elkaar de goede dingen overnemen op je eigen wijze lijkt mij een van de meest positieve aspecten die de multiculturele samenleving voor ons in petto heeft.
 
Op culinair gebied is dat al gebeurd.
 
Heel veel Nederlanders eten allang niet meer wat ze vroeger aten.
 
Ze zijn niet geassimileerd, want ze eten nog steeds aardappels met groente.
 
Maar ze eten wel anders.
 
Meer gevarieerd: de ene dag Hollands, de andere dag Chinees, weer een andere dag Italiaans, en de vierde dag misschien wel hindoestaans.
 
Dat culinaire model lijkt mij het ideale model om ook op andere gebieden uit te proberen.
 
 
Mijn vraag aan u straks na de pauze zou dan ook zijn: wat kunnen de autochtone Nederlanders leren van de Surinaamse of hindoestaanse cultuur,
 
en andersom: wat kunnen hindoestanen leren van de autochtone Nederlanders.
 
 
Het tweede woord waar ik over zou willen spreken deze middag is inclusie.
 
Het werd door de heer Mathura aangedragen in het thema voor deze middag – inclusie naast integratie en zingeving.
 
 
Wat is inclusie?
 
Waarin verschilt het van integratie?
 
Integratie wordt vooral cultureel uitgelegd.
 
Het staat voor de integratie van culturen.
 
Maar vandaag de dag zijn er ook andere tegenstellingen in onze samenleving.
 
Er wordt meer en meer gesproken over gender en de verschillen tussen genders.
 
De beroemde afkorting LHBTI staat daar symbool voor.
 
Vroeger was het makkelijk als het om gender ging.
 
Je had vrouwen en mannen.
 
Dat botste soms.
 
De eersten kwamen van Venus en de laatsten van Mars, om een befaamd boek te citeren waarin de verschillen tussen mannen en vrouwen worden besproken.
 
De strijd om gelijke rechten voor de vrouw begon al in de 19e eeuw, al weer bijna 150 jaar geleden.
 
Nog steeds worden vrouwen niet hetzelfde betaald als mannen en heeft Nederland (anders dan veel Aziatische landen) nog geen vrouwelijke premier gehad. Maar de strijd tussen man en vrouw is een oude strijd.
 
De nieuwe emancipatiestrijd richt zich vooral op andere verschillen in gender: het verschil tussen heteroseksuelen en homoseksuelen, transseksuelen, biseksuelen, ja, de hele regenboog van gendergroepen die onze samenleving inmiddels kent.
 
Er is een veel grotere diversititeit aan de oppervlakte gekomen.
 
 
We praten als het om integratie gaat niet alleen meer over Marokkanen, Turken en hindoestanen.
 
Nee, het gaat om veel meer dan etniciteit alleen.
 
Daarom dat andere woord: inclusie, wat insluiten betekent.
 
Ook de emancipatie van minder validen wordt er vaak bij betrokken als het om inclusie gaat.
 
Er wordt niet meer gedacht in termen van wat mensen niet kunnen, maar van wat ze wel kunnen – het gaat om rekening houden met elkaar.
 
Van bedrijven en instellingen wordt verwacht dat ze inclusief denken door ook deze mensen de ruimte te geven om werknemer te zijn.
 
Dat kan bijvoorbeeld door de werkomgeving aan te passen, zodat iedereen kan meedoen.
 
 
Voor dat ideaal staat inclusie.
 
Het tegendeel van inclusie is exclusie, wat uitsluiting betekent.
 
Dat hoeft geen bewuste uitsluiting te zijn.
 
Je kunt als samenleving ook onbewust mensen uitsluiten.
 
Door geen rekening te houden met hun beperkingen, of culturele of religieuze gewoonten.
 
Ja, rekening houden met elkaar.
 
Aandacht hebben voor het feit dat niet ieder mens hetzelfde is.
 
Dat is, denk ik, de kern van dat begrip.
 
Aandacht hebben voor en rekening houden met elkaar: dat is de uitdaging waarvoor het begrip inclusie ons stelt.
 
Het is dus breder dan de religieuze tolerantie die ontstond in 18e eeuw.
 
Het is ook breder dan de toenadering die groeide tussen arbeiders en de gegoede burgerij in de 19e eeuw.
 
Het is breder ook dan de ethnische tolerantie die in de 20e eeuw ontstond door Holocaust, racisme en globalisering.
 
Ja, inclusie is een vorm van tolerantie die niet alleen verschillende godsdiensten, klassen en rassen insluit, maar ook andere genders en mindervaliden.
 
Ja, al die mensen die op de een of andere wijze buitengesloten worden in onze samenleving. Bewust of onbewust.
 
 
Tot slot. Wat heeft zingeving te maken met integratie en inclusie?
 
Ik denk alles.
 
Ik denk alleen al aan zoiets als tolerantie.
 
Het is van wezenlijk belang dat die waarde deel uitmaakt van onze levensbeschouwing, van de manier waarop u en ik zin geven aan dit bestaan.
 
Een van de allermooiste dingen van de hindoestaanse cultuur vind ik haar opvatting van God.
 
Vroeger dacht ik dat het hindoeisme een polytheistische religie was.
 
Dat werd ons zo geleerd, zelfs op de universiteit.
 
Maar al die miljoenen goden en godinnen van India staan ten diepste voor de pluraliteit van het leven, zo leerde ik later van Indra, mijn vrouw.
 
Het is de veelkleurigheid die je ook in de natuur tegenkomt, waarin geen boom echt hetzelfde is.
 
Ook bij de mensheid zie je die veelkleurigheid.
 
Belangrijker nog was dat ze me leerde dat achter die diversiteit één God schuilgaat, ook bij de hindoes.
 
Uiteindelijk zijn al die miljoenen goddelijke gestalten uitdrukking van een en dezelfde goede kracht.
 
 
Wat dat betekent en hoe krachtig die visie is als levensbeschouwing merkte ik ooit toen ze bij mijn ouders thuis aan tafel zat.
 
Na het eten waren mijn ouders gewend om te bidden. Nadat mijn vader amen had gezegd, zei mijn moeder:
 
‘Misschien wil jij, Indra, nu bidden tot jouw god.’
 
Daarop sprak Indra de gedenkwaardige woorden: ‘Maar moeder, ik bid toch tot dezelfde God als u.’
 
Vanaf die dag begreep ik het hindoestaanse godsbeeld.
 
Ik noem dat wel het ware monotheisme.
 
Er is maar één God.
 
Dat betekent niet: er is maar één God, namelijk die van mij.
 
Het betekent: we mogen God dan onder verschillende namen aanroepen, maar hij of zij of het is dezelfde kracht die alle mensen en al het leven beweegt.
 
Ik hoop dat we vanuit die eenheid in verscheidenheid ook naar cultuur gaan kijken.
 
Want er is maar één mensheid, één atman, die vele verschijningsvormen heeft.
 
Dank u wel voor uw aandacht.
 
 

Deel dit