Vrijzinnig geloven

 

VVP

Overdenking 27 juni 2021

Overdenking 27 juni 2021

Ds Alex van Heusden is op zondag 27 juni voorgegaan in de Houtrustkerk. Omdat de kerkdiensten zonder bezoekers worden uitgevoerd heeft hij de overdenking opgestuurd. Deze kunt u lezen terwijl u de dienst beluistert via kerkomroep.

Wat is beschaving? - Alex van Heusden
 
Kaïn doodt Abel, zijn broeder. Nog vóór er één mens een natuurlijke dood is gestorven, is er al een vermoord, in een bewuste daad, niet in een vlaag van woede, maar met voorbedachten rade; in het ruige veld, dat wil zeggen: in het onbebouwde en onbewoonbare deel van de aarde, terzijde van de akker, het in cultuur gebrachte land, daar waar geen mensen zijn en dus geen getuigen.
Eén keer in het verhaal slechts spreekt Kaïn over Abel, zijn broeder, maar wel in ontkennende zin. Hij stelt de vraag die elke mens stellen moet: ben ik de hoeder van mijn naaste mens, mijn zuster en broeder? Kaïn, de mens die als opdracht heeft de akker te dienen en te behoeden, ontkent zijn broeders hoeder te zijn. Maar doordat hij de relatie met zijn broeder onherstelbaar heeft verbroken, heeft hij zijn eigen bestaansgrond letterlijk verwoest. Het bloed van Abel heeft de akker onvruchtbaar gemaakt en Kaïn wordt veroordeeld tot een zwervend bestaan. Pas dan, geconfronteerd met de gevolgen van zijn misdaad, realiseert hij zich wat hij heeft gedaan: ‘Te groot is mijn schuld om te dragen’ (Genesis 4:13). Dat is straf genoeg. Voortaan moet Kaïn leven met een schuldbesef dat niet te dragen valt. Nu is hij de zwakke, kwetsbare mens - ‘ieder die mij vindt, zal mij vermoorden’ - en daarom neemt JHWH hem in bescherming. Kaïn mag niet gedood worden: ‘Voorwaar dan, wie ook maar Kaïn vermoordt, zevenvoudig wordt het gewroken’ (Genesis 4:15).
Kaïn trekt weg, ‘van het aangezicht van JHWH’, en vestigt zich in het land Nod, een naam die ‘Dwaaloord’ betekent. Paradoxaler kan het niet worden gezegd: je vestigen in het land Dwaaloord. Waar moet Kaïn heen na wat hij heeft gedaan? Nergens kan hij heen, nergens vindt hij rust voor zijn geest.
 
Op het verhaal over Kaïn en Abel volgt een lijst van ‘verwekkingen’, zo hebben we gehoord, generatie op generatie, waarin de vraag wordt beantwoord hoe het verder gaat met de mensheid na de broedermoord.
 
     Kaïn bekende zijn vrouw,
     zij werd zwanger en baarde Henoch.
 
Waar Kaïn zijn vrouw vandaan heeft, vertelt het verhaal niet. Maar zonder vrouw geen nageslacht en dus ‘bekent’ Kaïn zijn vrouw. Kaïn krijgt een zoon, Henoch (die naam betekent vermoedelijk ‘Inwijding’), en bouwt een stad - ‘rondom zijn lot’, zoals Gerrit Achterberg dichtte. Het vervolg geeft een beeld van de Oud-oosterse cultuur als een mengeling van gevestigde en rondtrekkende mensen. Aan Henoch wordt Irad geboren en die naam betekent ‘stedeling’. Als de eerste stad is ingewijd, kunnen er mensen gaan wonen, ‘stedelingen’. Op Irad volgen Mechujaël en Metusjaël, namen die respectievelijk klinken naar ‘leven’ en ‘dood’, en zo uitdrukking geven aan de dubbelzinnigheid van de menselijke samenleving met het litteken van de broedermoord. Die dubbelzinnigheid zet zich voort in de namen van de beide vrouwen van Lamech, de zoon van Metusjaël: Ada (‘glans’) en Zilla (‘schaduw’).
De drie zonen van Lamech, met hun rijmende namen, representeren elk een aspect van de cultuur van het oude Nabije Oosten, in en rondom de steden: Jabal de veehouderij (‘de vader van hen die wonen in tenten en bij de kudde’), Jubal de rondtrekkende musici (‘de vader van al die bespelen de harp en de fluit’); als laatste Tubal-Kaïn, de metaalbewerker (‘de smid, brander van koperen en ijzeren dingen’). Tubal-Kaïn wordt geen ‘vader’ genoemd, want zijn ambacht levert behalve ploegscharen ook zwaarden en speren, vernietigingsmateriaal.
Het gevolg van de broedermoord is een spiraal van geweld. In het ‘lied van Lamech’, een fraai voorbeeld van bijbelse poëzie, wordt dit onheilspellend bezongen (Genesis 4:23v):
 
     Voorwaar, een man vermoord ik voor mijn wond,
     een kind voor mijn schram
     want Kaïn wordt zevenvoudig gewroken,
     maar Lamech zeven en zeventig maal.
 
We horen in dit lied de woorden van JHWH tot Kaïn gesproken na de moord op Abel. Zevenvoudig wordt zeven en zeventig, en voor die tomeloze wraak is het aanbrengen van een wond door een volwassen man of zelfs een schram door een kind al aanleiding genoeg.
Zo verloopt dit verhaal, deze lijst van ‘verwekkingen’: vader van… vader van… generatie op generatie… van vader op dochter op zoon. En dan houdt het plotseling op, de opeenvolging van generaties, die begon bij Kaïn. Het houdt op bij Tubal-Kaïn, de wapenleverancier, het militair-industrieel complex. Met als boodschap: de spiraal van geweld moet worden doorbroken, heeft geen toekomst, anders heeft mensheid op aarde geen toekomst.
 
De eerste moordenaar, aldus het eerste boek van de bijbel, is ook de eerste stichter van een stad. Daar klinkt kritiek in door op de stedelijke samenleving, zoals die zich in de toenmalige wereld heeft ontwikkeld. De stad is het toneel van de massacultuur, onder het dictaat van heersers, koningen en farao’s - een maatschappij van onderdrukking door gelijkschakeling. Allen moeten spreken met één mond - één uniforme taal waarnaar mensen zich voegen, in gelaten onderwerping. De meisjes worden in de harem gestopt, de jongens op oorlogspad gestuurd.
 
In de achttiende eeuw, ten tijde van de Verlichting, is het woord ‘beschaving’ geijkt. Dat mensen niet, niet meer, onderworpen zijn aan enig regime, maar zich in alle vrijheid kunnen ontplooien, aan zichzelf kunnen ‘schaven’ - dat werd het grote beschavingsideaal. En dat moest ook zichtbaar zijn in je gedrag: ‘innerlijke beschaving’ uit zich in voorkomendheid jegens andere mensen - in hoffelijkheid, beleefdheid. Beschaving is, menen sommigen, dat je niet bij de eerste de beste gelegenheid onbekende anderen aanspreekt met ‘jij’, maar met ‘u’. ‘Jij’ is van de commerciële omroepen, ‘u’ van de - meeste - publieke omroepen, maar ook dat is aan verandering onderhevig.
Het Latijnse woord voor ‘beschaving’ is civitas, dat ‘stad’ betekent, maar het is ook een woord voor de inwoners van de stad, de stedelingen, de burgers. In het Engels wordt dat civilization, civilisatie. Sinds de Verlichting worden de stedelijke samenlevingen van het oude Nabije Oosten de bakermat van de beschaving genoemd. Het ontstaan van beschaving als samenlevingsvorm in steden is een van de ingrijpendste ontwikkelingen in de geschiedenis der mensheid. Steden en metropolen, nu én vroeger, zijn dynamisch, chaotisch en nauwelijks in de hand te houden. Alles draait om samenwerking tussen mensen die vreemden zijn voor elkaar en daar ordening in aanbrengen, goede orde. Zo groeien er nieuwe verbanden van samenleven en samenwerken, buiten de traditionele trits van familie, clan en stam om.
Het is begonnen in het zuiden van het huidige Irak. De oude Grieken noemden dat gebied Mesopotamië, ‘tussen de rivieren’, die beroemde twee, Eufraat en Tigris. De eerste grote stad tussen de rivieren was Uruk - niet te verwarren met het Ur van Abraham, dat is een zusterstad. Zo’n vijfduizend jaar geleden telde Uruk dertigduizend inwoners. Hedendaagse metropolen als Londen, New York, Tokio en Beijing gaan alle terug op Uruk.
Volgens de legende is Uruk gesticht door Gilgamesj, twee derde god, een derde mens, de held van het Epos van Gilgamesj, het oudste literaire meesterwerk uit de geschiedenis der mensheid. Aan het begin van dat epos wordt Uruk beschreven:
 
     Bestijg de muur van Uruk, en wandel daarop rond!
     Bekijk zijn fundament, beproef het tichelwerk:
     Of dit geen echte baksteen is,
     Gelegd door de Zeven Wijzen?
     Een vierkante mijl is stad;
     een vierkante mijl is palmtuin;
     een vierkante mijl is kleiput…
     (vertaling Herman Vanstiphout)
 
Uruk was dus niet alleen baksteen, huizen, tempels, muren, maar ook een tuin vol palmen, waaronder de bewoners van de stad op verhaal konden komen na een dag hard werken.
 
Aan steden als Uruk kleefde ook een donkere zijde: onderdrukking van de eigen bewoners door de almachtige koning, tomeloos geweld, mensen uit de stad verjagen. En oorlogen: koningen wensten hun gebied uit te breiden om zo hun machtsbasis te verbreden en hun economische spankracht te vergroten. Kleinere en grotere rijken worden bij elkaar veroverd in bloedige oorlogen - het begin van wat wij imperialisme noemen. Bloeiende steden veranderen in rokende puinhopen - de keerzijde van de beschaving.
Koningen en farao’s lieten zich bij voorkeur afbeelden als jagers en dragen in kronieken de eretitel ‘heer van de jacht’. Zij jagen niet alleen op leeuwen, zij jagen ook op mensen - ook als mensenjagers laten zij zich afbeelden, als veroveraars van steden en vermorzelaars van mensen. In het eerste bijbelboek komt zo’n mannetjesputter voor, Nimrod, ‘de eerste Sterke Man op aarde’, ‘een machtig jager’ (Genesis 10:8-12), legendarische eerste veroveraar van een wereldrijk, met steden als Babel en Ninive.
 
Mensen trokken massaal naar de steden, op zoek naar emplooi, een dak boven het hoofd en beschutting achter veilige muren. Lang niet altijd waren zij welkom, werden scheef aangekeken, mochten niet echt meedoen: ‘Wat doen die vreemdelingen hier?’ Dat was toen niet anders dan nu, en de grootste schande die er rust op de schouders van Europa - opnieuw een keerzijde van de beschaving. Hoezo ‘beschaving’?
Maar niet iedereen maakte de gang naar de stad. Er waren ook nomaden en zwervers, die in Egyptische en Mesopotamische bronnen apiru of abiru worden genoemd, in de bijbel heten zij ‘Hebreeën’. Zij wonen niet in steden of dorpen, maar in tenten, nu weer hier, dan weer daar. Hebreeën zijn marginalen in letterlijke en figuurlijke zin: zij houden zich op aan de rand van de sedentaire samenleving en gelden daar als de laagste maatschappelijke klasse. Hebreeën zijn mensen waarmee de gevestigde orde doet wat zij wil. De God van de bijbel is de God van deze Hebreeën, hun partijganger en pleitbezorger.
Wat is beschaving? Goede zorg voor oude mensen; en voor mensen met dikwijls ernstige beperkingen - dat is beschaving. En hoe er wordt omgegaan, hoe menselijk, met vluchtelingen, vreemden, asielzoekers - dat is maatstaf voor beschaving. Daar wijkt de duisternis voor het licht.
Je staat aan de oever van een rivier, je kijkt naar de overkant. En wat zie je? Steden aan de overzijde, steden als tuinen. En wat hoor je? Grootstedelijk mensenlawaai? Je hoort de zang van de lijster.
Zo moge het zijn.
 
VOORBEDEN
 
Om verdraagzaamheid en herkenning.
Om dialoog en vrijspraak, op gelijke hoogte.
Dat wij bruggen bouwen
en wegen aanleggen
om, met alle beperkingen die nu gelden,
anderen te kunnen ontmoeten,
mensen zoals wij,
van waar ook gekomen
hoe ook geaard,
ongeacht religie of levensovertuiging.
 
Dat wij ons blijven keren tegen racisme,
dat wij vooroordelen bestrijden,
ook in onszelf,
misverstanden helpen uitroeien
en bijdragen aan een leefklimaat
dat heilzaam en veilig is voor allen -
geen laster, spot, inbeelding,
hoogmoed, hoon.
 
Dat wij doen wat in ons vermogen ligt, ten goede,
met hart en ziel;
geloven in onszelf,
elkaar ruimte geven, geduldig, hoopvol en vergevingsgezind, als het moet,
dankbaar om wat we kunnen.
 
Dat wij niet wanhopen,
dat wij volharden
zolang als nodig is.
 
Om moed. Om bemoediging.
Een engel die haar hand legt op onze schouder.
 
Voor hen in ons midden die ziek zijn,
om bijstand en troost,
om genezing als dat mogelijk is,
om verzachting van pijn en leed.
 
Voor alle stervenden, om een waardig levenseinde,
voor hen die over hen waken in hun laatste dagen en uren.
 
Onze doden gedenken wij,
allen die wij zo missen -
in stilte hun namen, een voor een.
 
Voor al onze levenden,
kinderen, kleinkinderen, geliefden, vrienden, collega’s,
allen die aan zorg en aandacht zijn toevertrouwd,
dat wij hen niet verwaarlozen,
niet uit het oog verliezen.
 
Keer u om naar ons toe,
keer ons toe naar elkaar.
 
Zo moge het zijn.
 

Deel dit