Vrijzinnig geloven

 

VVP

Overdenking 28 februari

Overdenking 28 februari

Chris de Jonge is op zondag 28 februari voorgegaan in de Houtrustkerk. Omdat de kerkdiensten zonder bezoekers worden uitgevoerd heeft hij de overdenking opgestuurd. Deze kunt u lezen terwijl u de dienst beluistert via kerkomroep.
 
Overdenking van ds. Chris de Jonge over Marcus 9: 2-10
Den Haag (Houtrustkerk), 28 februari 2021
Schriftlezingen uit de Nieuwe Bijbelvertaling 2004: I Koningen 19: 9-18; Marcus 9: 2-10
 
Op deze tweede zondag van de veertigdagentijd wordt vaak een van de drie versies gelezen van het verhaal over de verheerlijking op de berg. Dit jaar is dat de versie uit het evangelie van Marcus. Het is een intrigerend verhaal, bijna onwerkelijk zelfs, en het is ook niet zo eenvoudig om de bedoeling en de betekenis ervan te achterhalen. Maar het moet wel een belangrijk verhaal zijn geweest in de kring van Jezus’ volgelingen. Want Marcus vertelt dit verhaal vast niet toevallig op een beslissend moment in zijn evangelie. Hij plaatst het vlak nadat Jezus voor de eerste keer aan zijn leerlingen, en ook aan ons, bekend maakt dat hij moet lijden en sterven voordat hij uit de dood zal opstaan.
 
Wij weten dat het inderdaad zo is gegaan. Maar zijn leerlingen weten dat dan nog niet. Zij zijn dan ook helemaal van slag als zij dit horen. Dat kan toch niet? Jezus is toch de Messias, de koning die God zal sturen om zijn heil werkelijkheid te laten worden op aarde? Hoe is het dan mogelijk dat de mensen hem zullen vermoorden? Petrus heeft Jezus zelfs apart genomen om hem dat uit het hoofd te praten.
 
Maar Jezus heeft voet bij stuk gehouden. Sterker nog, hij vraagt zelfs van al zijn volgelingen, en dus ook van ons, dat wij met hem meegaan op deze weg. “Wie mijn volgeling wil zijn, moet zichzelf verloochenen, zijn kruis op zich nemen en zo achter mij aankomen.” Want de weg die ik ga, is de enige weg die je bij God kan brengen. Alleen als wij hem volgen op zijn weg naar Jeruzalem, op zijn weg naar het kruis, vinden wij het leven dat God de wereld wil geven, het heil van zijn koninkrijk dat komen zal.
 
Laten wij maar eerlijk zijn. Ook wij kunnen daar met ons verstand niet bij. Dat druist helemaal in tegen onze gevoelens. Wat Jezus hier zegt staat haaks op al onze ideeën over God. Waarom moet nu uitgerekend iemand zoals hij zo beroerd aan zijn eind komen? Hij wil toch alleen maar Gods liefde met ons delen? Hij is toch degene die ons namens God weer op de been helpt als wij op ons levenspad zijn gestruikeld en die ons moed en hoop geeft zodat wij het bestaan weer aankunnen? Hoe moet het met ons wanneer hij het er al niet eens levend afbrengt?
 
Het is alsof Jezus heeft gehoord wat wij denken en onze ontreddering heeft gezien. Want zes dagen later, een week nadat hij zijn lijden en sterven heeft aangekondigd, neemt hij ons mee naar een hoge berg, in het gezelschap van Petrus, Jakobus en Johannes, drie van de leerlingen die hem volgen vanaf dat zijn weg begon. Wij voelen het al: nu is het belangrijk voor ons om goed op te letten. Want een berg in de Bijbel is nooit zomaar een berg, en zeker niet als hij hoog is.
 
Een hoge berg is in de Bijbel de plek bij uitstek waar je God kunt ontmoeten. Dat is niet zo vreemd. Op een berg ben je immers niet alleen letterlijk dichter bij de hemel, maar ook figuurlijk. Door een berg op te klimmen en daar de stilte te zoeken, kun je afstand nemen van je aardse beslommeringen. Zo raak je bijna als vanzelf in hoger sferen, een stemming waarin andere gedachten bij je boven kunnen komen, ook gedachten over God.
 
Vandaar dat God zich op beslissende momenten in de geschiedenis van Israël bij voorkeur openbaart op een hoge berg. Dat is gebeurd met Mozes. Die is twee keer de Sinaï opgeklommen om God te ontmoeten en de tien geboden te ontvangen. Dat is gebeurd met Elia, hebben wij net gehoord. Die beklom de Horeb om God te zoeken toen hij twijfelde aan de zin van zijn leven.
 
Wat krijgen wij vandaag samen met Petrus, Jakobus en Johannes op deze hoge berg van God te zien en te horen, nu Jezus op weg is naar Jeruzalem om daar te worden gedood? Allereerst zien wij samen met de drie leerlingen dat Jezus van gedaante verandert. Niet langer staat hij voor ons zoals wij hem vanuit onszelf kennen, in zijn aardse gedaante. Hij ziet er niet meer uit als de rabbi uit Nazaret die door Galilea trekt om zieken te genezen en om de mensen te vertellen dat Gods koninkrijk in aantocht is. Op de berg laat God hem aan ons zien zoals hij werkelijk is: in al zijn glorie, omgeven met de glans van Pasen. Daarom worden zijn kleren bovenaards wit. Hierdoor kunnen wij hem, hoewel het nog niet zo ver is, alvast even zien zoals hij straks na Pasen in ons leven aanwezig zal zijn, door God bekleed met hemelse luister.
 
Voordat wij ons kunnen afvragen of wij dat eigenlijk wel goed hebben gezien, bevestigt God ons ver­moe­den door Mozes en Elia ten tonele te voeren. Die kennen wij uit het Oude Testament als dé vertegenwoordigers van de Wet en de Profeten. Nu zij zomaar op voet van gelijkheid met Jezus spreken, weten wij zeker dat hij ons inderdaad met wat hij zei en deed de diepste zin van het Oude Testament heeft onthuld.
 
Maar hun aanwezigheid op die berg heeft nog een andere betekenis. Want Mozes en Elia zijn, samen met Henoch, de enige mensen in het Oude Testament die vanwege hun innige band met God niet zijn gestorven zoals wij allen ooit zullen sterven. Nee, Henoch werd door God van de aarde weggenomen. Toen Mozes stierf werd hij door God begraven en zijn graf is nooit gevonden. En wat wij ons daarbij moeten voorstellen zien wij aan Elia. Die werd voor de ogen van alle omstanders door een vurige wagen en paarden naar de hemel weggevoerd. Daarom geloven de mensen in Israël dat zij in Gods nabijheid verkeren, in de hemel.
 
Dat zij er vandaag bij zijn op de berg van de verheerlijking, mag voor ons een teken zijn dat ook Jezus voor altijd bij God zal zijn als hij straks zijn weg van lijden en sterven heeft volbracht. Hij is niet alleen maar een geloofsheld uit een lang vervlogen verleden. Hij is voor ons ook een blijvende inspiratie als wij besluiten om de weg te gaan waarop hij ons is voorgegaan. Dan is hij voor ons, ook hier en nu, de levende Heer, net zoals hij dat toen was voor zijn leerlingen en nog steeds is voor al zijn volgelingen na hen, tot op de dag van vandaag.
 
Is het niet geweldig dat wij dat allemaal mogen zien? Zou je niet, net als Petrus, wensen dat je voor altijd op die berg kon blijven, ver verheven boven gewoel van de wereld beneden waar lijden en dood ons bestaan beheersen? Het liefst zou je dit beeld van Jezus in zijn hemelse witte kleren samen met Mozes en Elia voor altijd willen vasthouden. Maar dat kan niet. Want Jezus is zijn weg nog niet tot het eind gegaan. Hij moet nog naar Jeruzalem, en wij moeten met hem mee.
 
Maar voordat het visioen vervaagt, krijgen wij nog wel van God zelf te horen dat het allemaal waar is wat wij zonet hebben gezien. Voordat de gedachte bij ons op kan komen dat wij ons alles maar hebben verbeeld, komt God verborgen in een wolk naar ons toe om ons nog één keer te laten weten wie Jezus is. Dit is mijn geliefde Zoon. Hem heb ik gestuurd om jullie in het voetspoor van Mozes en Elia bij mij te brengen. Hij wijst jullie de weg naar mijn toekomst die in aantocht is. Luister dus naar hem. Hij leert je hoe je mij kunt vinden. Ga met hem mee naar Jeruzalem. Want door hem vind je het leven dat ik je wil geven.
Daarmee hebben wij alles gezien en gehoord wat wij nodig hebben om Jezus te kunnen volgen. Het visioen is over. En wij? Wij moeten weer naar beneden, de berg af. Na de topervaring die wij daar hebben gehad, moeten wij weer terug naar het gewone leven hier op aarde, waar Gods glorie voor ons verborgen is, waar geloofservaringen zoals daarnet ons maar zelden ten deel vallen en waar wij Gods stem nooit zo duidelijk horen als daar uit die wolk. Maar gelukkig gaan wij niet alleen. Want Jezus gaat met ons mee, in zijn gewone kleren, een mens zoals wij.
 
Hij blijft bij ons, in het gewone leven van alledag waar mensen lijden en sterven en waar zelfs hij zijn leven niet zeker is. Dat is immers de plaats waar wij thuishoren. Daar moeten wij met en voor elkaar mens zijn naar Gods bedoeling, en niet op een berg waar je je opgetild voelt tot in de hemel. Hier beneden moeten wij in praktijk brengen wat Jezus ons heeft geleerd over de liefde voor God en de liefde voor onze medemensen. Hier is de plek waar wij moeten geloven zonder te zien en hopen op grond van beloften die nog steeds in vervulling moeten gaan. En ons enige houvast daarbij zijn de verhalen over God en Jezus die wij van anderen hebben gehoord.
 
Maar laten wij vooral niet vergeten dat daar ook dit verhaal van vanmorgen bijhoort, het verhaal over de verheerlijking op de berg. Want door dit verhaal weten wij wie Jezus werkelijk is. Hij is de mens in wie wij God mogen ontmoeten. Hij heeft ons laten ontdekken dat geen ziekte en geen pandemie, geen onrecht en geen geweld de komst van Gods toekomst kan tegenhouden. In hem is in deze donkere wereld het licht van Gods toekomst voor ons gaan schijnen.
 
Het is zonneklaar dat wij dat inzicht niet voor onszelf mogen houden nu Jezus zijn weg op aarde heeft volbracht. Op Pasen heeft God ons immers bevestigd wat wij vanmorgen op die berg hebben gezien en gehoord. Op Pasen heeft God ons laten weten dat Jezus’ dood niet een eindpunt is, laat staan een mislukking, maar een nieuw begin, een begin van leven in de volle zin van het woord.
 
Dat is goed nieuws en het is belangrijk dat wij dat, in navolging van Jezus, met elkaar hier op aarde verspreiden, met woorden en daden. Er zijn immers zoveel mensen die snakken naar verhalen van hoop en perspectief, naar geborgenheid en liefde, naar recht en gerechtigheid. En wij hoeven daarbij echt niet meteen te beginnen dit verhaal over de verheerlijking op de berg of bij het Paasverhaal, hoe inspirerend die voor onszelf ook zijn. Want niet iedereen is met ons op de berg van de verheerlijking geweest.
 
Maar er zijn nog genoeg andere verhalen te vertellen: over de manier waarop Jezus het leven van ons mensen heeft gedeeld, met alle verdriet en alle pijn, met alle angst en alle eenzaamheid, zo intens en zo vol liefde dat wij denken dat je daarin de liefde van God zelf kunt ervaren. En misschien is het nog beter wanneer wij proberen om in navolging van Jezus op onze eigen manier iets van die liefde te delen met onze medemensen, door hen te helpen als zij het moeilijk hebben, door met hen mee te leven als zij ziek zijn, door samen met mensen die wanhopen te zoeken naar een glimp van licht en hoop voor de toekomst. Dat is volgens mij beslist niet overbodig in deze onzekere tijd waarin wij leven.
 
Want ook daarmee kunnen wij anderen laten zien waarom wij geloven dat er een toekomst is voor deze wereld. En dat wij dat durven te geloven, vaak tegen onze eigen twijfel in, heeft misschien toch ook wel iets te maken met die ervaring die ons vanmorgen op die berg ten deel is gevallen, met het licht van God dat wij daar hebben gezien en de woorden die wij daar hebben gehoord. Dat visioen is geen luchtspiegeling. Het is een bevestiging van Godswege van alles wat wij door Jezus hebben leren hopen, een glimp van wat wij over vijf weken op Pasen vieren, een vooruitblik op het heil dat ons te wachten staat als Gods koninkrijk aanbreekt.
 
ds. Chris de Jonge
 
 
 
 

Deel dit