Vrijzinnig geloven

 

VVP

Overdenking van zondag 13 september

Overdenking van zondag 13 september

Alex van Ligten, die zondag 13 september is voorgegaan, heeft de overdenking opgestuurd. Deze kunt u lezen terwijl u de dienst beluistert via kerkomroep.
 
 
Exodus 32 - Navolging
 
15e Zondag na Pinksteren, 13 september 2020, Den Haag (Houtrustkerk).
Gelezen: Exodus 32:1-14, Lucas 18:31-43.
Liederen: Psalm 119:64, Psalm 106:1,4,8,9, Uit Oer is hij getogen (Gezang 3:1 (Liedboek 1973), De Heer zag naar mij om en onverwacht (Gezang 487, idem).
 
Exodus 32:1-14
[Zie in uw eigen Bijbel]
 
Lucas 18:31-43
[Zie in uw eigen Bijbel]
 
Bijlo in de bocht
De bijbelse kijk op blindheid heb ik niet beter horen weergeven dan door Vincent Bijlo in de column van het blad Pax ter gelegenheid van de komende vredesweek. De blinde cabaretier, die die dit jaar namens de vredesbeweging ‘ambassadeur van vrede’ is, schrijft het volgende:
 
‘Een goede vriendin van mij heet Blok. Mischa Blok. Blok, Hollandser kan het niet.’ […] ’Toen ik haar net kende, vroeg een vriend die ons samen had gezien: “Waar komt Mischa eigenlijk vandaan?” “Uit Hilversum,” zei ik. “Maar waar komt ze echt vandaan?” ging hij door. “Haar ouders wonen geloof ik in Rotterdam,” zei ik. “He,” zei hij geïrriteerd, “waarom beantwoord je mijn vraag niet, waar liggen haar roots?”
“Haar roots, in Rotterdam, dat zeg ik toch.” “Maar ze is Aziatisch.”
“Mischa, Aziatisch, nou daar hoor ik niks van.”
Ik vroeg het haar maar, de volgende keer dat ik haar zag.
“Een vriend van mij beweert dat je Aziatisch bent, maar dat is toch niet zo?”
“Jawel,” zei ze, “ik kom uit Zuid-Korea, ik ben geadopteerd. O, wat geweldig dat jij dat niet ziet! Niet dat ik me ervoor schaam of ermee zit, maar ik word er zo vaak letterlijk op aangekeken. Mensen roepen Ni hao *1 naar me, of Chinees en tegenwoordig Coronachinees.”
Ik was verbijsterd. Mischa Blok, uitgescholden en nageroepen. Wat zijn die zienden toch een domme mensen, met die ogen van ze.’
 
Bijlo zegt verder in zijn column dat zienden dus vaak juist door wat ze zien, niet verder komen dan de uiterlijkheden en dat belet ze het luisteren, ‘ze doorzien niet’. ‘Een blind persoon ziet geen kleur, hij hoort de mens’, heet de column.
 
*1 Chinese begroeting
 
Vooropgaan en volgen
Raker kan het niet gezegd worden. Het blijft zo dat iedere blinde wel zou willen dat er iemand langs kwam die de gave had om hem of haar van de blindheid af te helpen, maar in de Bijbel komt het heel dicht bij Bijlo’s opmerking dat zienden domme mensen zijn. Vaak zijn de blinden het juist die doorzíen. Zo eentje zat er bij Jericho aan de kant van de weg. Hij hoort dat Jezus langs gaat komen en roept hem aan met ‘zoon van David’. En tegen de vermaningen in om zijn mond te houden, schreeuwt hij het des te harder: ‘Heb medelijden, eleison, ontferm u over mij.’
Ook Marcus en Mattheüs vertellen dit verhaal, bij Marcus staat de naam van de blinde erbij, Bartimeüs, maar Marcus en Mattheüs hebben niet wat Lucas wel heeft, namelijk dat die blinde wordt afgesnauwd door ‘degenen die voorop lopen’(vs 39). Lucas is de evangelist die van alle vier het beste is in vileine zinnetjes. Even eerder, bij hun reactie op Jezus’ aankondiging van het lijden heeft hij de kring van leerlingen al neergezet met de volzin: ‘Zij begrepen daar niets van, dit woord bleef voor hun verborgen en niet wisten zij waarvan gesproken werd.’ Drie equivalenten voor de ene mededeling: dat het driedubbel overgehaalde sukkels waren.
En hier zegt hij met een knipoog tegen ons, de oplettende lezertjes: Jezus gaat op naar Jeruzalem, met zijn volgelingen. ‘Volg mij’ heeft al een paar keer geklonken in het evangelie, vlak voor onze lezing nog tegen de rijke jongeling, en hier zijn er dus volgelingen die voorop lopen!
Jezus opgang naar Jeruzalem is voor deze volgelingen een koninklijke gang naar het centrum van de macht. Daarbij past geen geschreeuw van een armoedzaaier langs de weg. Van dat soort vooroplopende volgelingen heeft de Heer er vele gehad. Ze weten al waar het heen moet, ze weten ook hoe het hoort en niet hoort en ze bestraffen maar raak ten koste van de hulpbehoevenden. In veel kerkelijke besognes zijn wij zelf vaak zulke volgelingen. In beleidscommissies, in visies op wat ervan de kerk moet worden in de twintig/dertig komende jaren, lopen we graag op de dingen vooruit. En misschien ook op de Heer zelf. En als mensen zo ver vooruit lopen, is het maar de vraag of de Heer het allemaal wel kan volgen!
In Lucas 18 houdt de Heer stil en geeft hij gehoor aan de wens van de blinde man. Geen prioriteit geeft hij aan het stijlgevoel en de goede smaak van zijn vooroplopers, zó gaat hij op naar Jeruzalem: hij staat stil. En stilstand is hier geen achteruitgang, maar betekent beterschap voor een aan de kant gegooid mensenkind. En om het er nog even extra in te wrijven, besluit Lucas dit gedeelte met: ‘Prompt kon hij weer zien en hij volgde hem.’ Alsof de evangelist nog even zeggen wil: hij wel.
 
Beneden bedacht?
Dat brengt ons bij Exodus. Het boek waarin beschreven is hoe de Hebreeën zijn bevrijd uit het land van de slavernij, wonderbaarlijk gered door het doodswater heen, woorden hebben gehoord ten leven, de geboden die werden ontvouwd als een loper door de woestijn naar het beloofde land. Steeds opnieuw gered uit de nood, leren leven van dag tot dag.
Weerbarstige geschiedenissen. Soms is het volk van bevrijden dapper onderweg, af en toe blunderen ze ook maar raak. Zolang ze Mozes hebben om te volgen, gaat het meestal goed. Maar in de eerste verzen van hoofdstuk van Exodus 32 horen we dat Mozes al tijden boven op de berg is, ijverig opschrijvend wat God hem persoonlijk dicteert.
Dan horen we het gevaar van niet-volgen. Ze slaan een andere weg in en raken zo van het pad.
Nu stellen Mozes en God het volk ook wel erg op de proef. En het is zonder meer erg fout wat er dan gebeurt, maar we kunnen het wel begrijpen.
We snappen zelfs de aanpak van het volk, want met enige varianten doen wij, moderne mensen, ongeveer hetzelfde: godsdienst beschouwen als een hobby van de af en toe nog nadenkende mens, aan zingeving doen, voor je eigen spiritualiteit openstaan, dat lijkt op wat het volk in de woestijn bij dat kalf doet: eerst zelf iets in elkaar knutselen en dan roepen: ‘Dit is jouw God.’ Dat is de cultuur waarin wíj zeggen wat wíj onder God wensen te verstaan.
Het lijkt me vooralsnog wijzer om uit te gaan van wat we, overgeleverd uit de grijze oudheid, in hoekige Hebreeuwse en sierlijke Griekse letters voor ons hebben liggen. Schrijfsels in mensentaal. Komt dat van de ganse andere zijde tot ons? De oude opvatting was dat de hele Bijbel rechtstreeks van Boven was gekomen. Modern en eigentijds is het om te zeggen: ‘Alles wat over boven gezegd wordt is beneden bedacht.’
Is dat zo? Niet uit de hemel, maar door mensen bedacht? Misschien is het geen tegenstelling. Herman Finkers reageerde daar met Twentse nuchterheid op: ‘Ook de veertigste van Mozart en de liedjes van Jacques Brel zijn ooit verzonnen, toch bestaan ze wel’ *2.
In de Bijbel is in elk geval niets bedacht om ons kwade geweten gerust te stellen of om verklaringen te geven voor alles wat er zoal door ons heen spookt. Meer om ons kritisch naar onszelf te laten kijken, om ons bij de kladden gepakt te voelen, aan de slag te gaan, deze wereld om te keren, in de richting van alles waarmee de God uit deze oude berichten verbonden is: vrijheid, gerechtigheid, genade, liefde.
Dat is van zo’n kracht en schoonheid dat ik stiekem denk: hémels, dat komt zó van Boven.
 
Twee scènes zijn er in de lezing uit Exodus: de eerste speelt zich onder in het dal af, de tweede boven op de berg.
 
*2 Herman Finkers, Na de pauze (2009), 166
 
In het dal
Bij het aanhoren van de geboden had heel het volk bij de Sinaï geroepen: ‘Wij zullen dat alles horen en doen, doen en horen’. Dat was op de vijftigste dag na de bevrijding uit Egypte. Veertig dagen daarna tuimelen ze van die hoge belofte in een diepe valkuil. Zo weinig tijd is er voor nodig om van de hoogte in de diepte te belanden, van de hemel in de hel, van zuiver geloofsvertrouwen in teugelloos wangedrag.
Het gaat snel, het verval. Wij weten dat. Het ene moment leef je nog in een zich als tolerant en gastvrij presenterend land, en voor je het in de gaten hebt, zijn we vervallen tot een stel allochthonenhaters. De beschaving gaat snel kopje-onder als er media mogen bestaan waarop mensen anoniem doodsbedreigingen mogen uiten, anderen angst aanjagen. En als er koehandel gepleegd wordt met gevluchte, kansloze, misbruikte, net niet verbrande dakloze vluchtelingen.
Een stierkalf noemen ze hun zelfgemaakte god, en dat is bij de buren van Israël altijd het symbool geweest van macht, strijd en vruchtbaarheid. Dat zijn de grote verdovingen/verslavingen die tegen alles ingaan waar de God van de bevrijding van de slaven uit Egypte voor staat: macht, geweld en productie.
En als het beeldje er is, roepen ze opgetogen: ‘Dit is jouw God, Israël, die jou deed opgaan uit het land Egypte.’ Dat is nog het ergste: de vermenging van de naam van de heilige God met onheilige zaken. Jezelf een god creëren en dat opsieren met ‘God’ met een hoofdletter G. Vaststellen wat jij vindt dat God moet zijn en hem zo aan jouw teugels leggen.
Het is overigens wel een hele prestatie, zij het een negatieve, om in een ommezien de eerste drie van de tien geboden waarmee de serie opende in hun tegendeel te laten verkeren. De geboden twee en drie gaan er letterlijk aan: ‘Gij zult u geen beeld maken’ en ‘gij zult mijn Naam niet ijdel gebruiken’. Daarmee is tevens het eerste gebod verkracht: ‘Ik ben de God van je bevrijding, dien geen andere goden’, en te vrezen valt dat ze in dit tempo zullen doorgaan. Vandaar Gods aanmaning aan Mozes: ‘Ga gauw naar beneden.’
 
‘Maak een god die voor ons uit gaat.’ Daarmee begint het. Mozes is uit zicht geraakt en we moeten iets hebben waar we ook werkelijk wat aan hèbben. En die Aäron, ach, je ziet hem voor je, omdat we hem ook werkelijk zo vaak zíen: in parlementen, onder beleidsmakers en -uitvoerders. Nooit de hakken in het zand, nooit tegen je achterban roepen of ze nou helemaal gek geworden zijn, altijd meewaaien en draaien. Hoe minder ruggegraat je hebt, hoe makkelijker het draaien je afgaat.
Aäron doet ’t vast en zeker met goede bedoelingen, om erger te voorkomen. Dat is vaak het excuus. Eerst gaat hij erin mee door dat rare beeldje te maken en als ze daar nog wilder en uitbundiger van worden, biedt hij ook nog een altaar aan en een religieus feest. ‘Feest voor Hem, Ik-ben-met-je,’ proclameert hij. Daar staat de Naam van God, zo ijdel gebruikt als maar mogelijk, door een goedbedoelend, zich onmisbaar wanend iemand. Priester moest hij zijn, maar hij gedraagt zich als een op zijn eigen directe belang gerichte politicus. Priesters waren uitgevonden om mensen te hebben die mogelijk wat dichter bij God staan dan anderen, die er wat meer tijd en concentratie in kunnen steken dan iemand die de hele dag huishoudt, brood bakt of timmert. Een verbindingsfiguur tussen hemel en aarde. Maar deze verbindt niet. Deze voert de volkswil uit – dat is altijd de wil van de grootste schreeuwers uit het volk – en doet de waarheid geweld aan.
Er lopen tal van lijnen van dat oude verhaal naar ons leven.
Dat is beneden, in het dal, in de diepte.
 
Boven het dal
Hoe is het boven, daar bij die twee in de wolken? Met Mozes die het volk moet leiden, met God die gedenkt, die de kinderen van Israël ziet, die weet wat er gebeurt?
Hoor Hem uitvaren tegen Mozes: ‘Jouw volk, dat jij op deed gaan uit het land Egypte, heeft het bedorven.’ Dat klinkt als een ouder die de lastige kinderen even op naam van de partner zet: ‘Weet je wat dat kind van jou nou weer uitgevreten heeft?’ God zegt precies wat de kinderen Israëls uitvreten en vervolgt met zinnen waaruit blijkt dat Hij het helemaal met ze gehad heeft. ‘Láát Mij, dat mijn toorn tegen hen ontbranden zal, Ik zal hen voleindigen’. Dat mooie werkwoord wat in Genesis gebruikt wordt om te zeggen dat God rust als Hij zijn schepping voleindigd heeft, wordt hier gebruikt, maar dan in de zin van wegvagen, ze aan hun eind helpen.
‘Láát mij,’ dat is hier het ‘laat me’ uit ‘laat me begaan,’ en ik vind het één van de mooiste zinnetjes die God in de hele Bijbel spreekt. Want wat is de enige reden dat je zegt ‘laat me begaan’? Dat je hoopt dat de aangesprokene jou juist níet laat begaan. Anders zou je het wel zonder meer dóen. God zegt dat Hij een eind wil maken aan het experiment Israël, en dat Hij dan met Mozes verder wil, die wordt de nieuwe Abraham. Hij stroopt zijn mouwen op en roept: ‘Hou Me niet tegen’, maar er klinkt in door dat de Heer roept: ‘Verzin een list!’
En Mozes verzint een list, om Hem tegen te houden en zijn toorn te keren. God, de schepper van hemelen en aarde, die grote en sterke God aan wie alles onderworpen is, wordt hier van een goddelijk en toornig voornemen afgebracht door? Een mens.
‘Mozes verzachtte het aangezicht van Hem, God-met-ons, zijn God’, de God die de wereldmacht Egypte op de knieën had gekregen, door met een ijzersterk argument aan te komen: ‘Als Gij dit volk beëindigt, zullen ze daar in Egypte dan niet zeggen: dit is het lot van alle slaven die denken vrij te kunnen worden: de dood in de woestijn? Voor de rest van de eeuwigheid zullen onderdrukkers hiermee iedereen onder de duim houden. Wilt Ge dat?’
En er volgt een tweede argument: ‘Denk aan wat Gij zelf hebt beloofd aan’ – en dan volgen drie namen die altijd bij het gedenken horen, namen die staan voor de geschiedenis van God met de mensen *3: ‘Abraham, Izaak en Jacob.’ Of nee, dat zegt hij juist niet: Mozes gebruikt expliciet de ándere naam van Jacob, ‘Israël’. Alsof hij het God nog even extra inwrijft: om dit volk gaat het nu, denk eraan! Zoals hij een zin eerder ook heeft gezegd: ‘Waarom zou uw toorn losbranden tegen uw (!) volk, dat Gij (!) hebt uitgeleid uit Egypte.’ Daar heb je de andere ouder die terug zegt: ‘Hoho, het zijn ook jouw kinderen!’
En even mooi als dat ‘láát mij’ van God is in het antwoord van Mozes: ‘Tem die laaiende toorn’, letterlijk: ‘Keer om, weg van uw toorn en heb berouw.’
God wordt door een mens tot bekering geroepen! En Hij bekeert zich! ‘Hij kreeg berouw over het kwaad dat Hij gesproken had tegen zijn volk te doen.’
Wijze geleerden zeggen dat dit een voorbeeld is van het mensvormig spreken over God. We schrijven God eigenschappen en daden toe die we zelf ook hebben. Die geleerden gaan uit van de gedachte dat de almachtige, alwetende en alvoorzienige God natuurlijk niet ècht berouw kan hebben. Dat bedenken wíj om het ons wat beter voor te kunnen stellen.
Dus zo wijs zijn die geleerden niet, want het is juist omgekeerd: berouw en spijt zijn góddelijke eigenschappen, ze horen bij Hem. Zo menselijk is het niet, dat je zó kritisch bent op jezelf dat je kunt terugkeren van je dwaalwegen. Menselijk is eerder dat je stug volhoudt, tot het eind toe je gelijk probeert te halen en, alleen als je er echt niet onderuit kunt, bakzeil haalt.
Maar de God uit deze verhalen, die kan dat, berouw hebben, ergens op terugkomen, afzien van een onzalig plan. Zo is Hij. Anders dan al het andere wat aanbeden en vergoddelijkt wordt. En omdat Hij het kan, en ons er in deze verhalen in voorgaat, zou het mooi zijn als wij dat van hem afkijken. De keren dat het je lukt om op onzalige schreden terug te keren, geloof me, zijn goddelijke ervaringen. Oprechte spijt over wat je misgekleund hebt, dat is een louterende ervaring. Naar wat in de hemel bedacht is, handel je dan op aarde. Dat is hem volgen, niet slaafs, maar in vrijheid.
 
*3 Th.J.M. Naastepad, Naar Mokum, uitleg van Exodus 1-34 (2003), 321
 
Slot
Het berouw van God komt voort uit het appèl dat een mens op Hem doet. Zo onbeweeglijk als de dogmatiek Hem gemaakt heeft, ‘onveranderlijk in zijn raadsbesluit’, ‘eeuwig dezelfde’, zo beweeglijk is Hij in de boeken waar het geloof van zijn gemeente op is gebouwd. Hij leeft en is levendig, gaat in op wat er gezegd en gedaan wordt. Dat is eigen aan Hem. Als wij het over God hebben, dan is Hij zo iemand.
Zó voorbeeldig dat Hij zelfs laat zien wat steevast hoort bij voorbijgaande boosheid. Van het een op het ander is niet alles automatisch weer goed. Hij heeft dan wel afgezien van zijn woede-actie, maar zijn toorn moet nog wel zakken. Hij lijkt er in het eerste vervolg na de affaire met het stierkalf niet veel zin meer in te hebben. Dat staat aan het einde van Exodus 32: ‘Breng jij het volk nu maar naar waar Ik jou gezegd heb, want als Ik aan ze denk, moet Ik ook steeds aan deze toestand denken.’
De goede verhoudingen zijn verstoord. Het herstel daarvan vraagt tijd en geduld. Zelfs Hij die lankmoedig is en rijk aan ontferming en trouw moet even afkoelen. Hij laat niet varen de werken van zijn hand, maar Hij laat die werken heel soms wel even in hun eigen sop gaarkoken en trekt zijn hand tijdelijk terug.
‘Nu weten wij,’ schrijft Tom Naastepad daarbij *4, ‘dat Hij leeft, dat Hij een ziel heeft, dat Hij geen mechanisme is,’ geen vage gestalte uit een verre geschiedenis, grenzend aan een sprookjesfiguur, geen normen-en-waarden stelsel. Geen voorwerp dat tot onze beschikking staat wanneer dat ons zo uitkomt. Hij leeft, Hij handelt, Hij spreekt. Hij zoekt het verlorene, kan berouw hebben, Hij is onwaarschijnlijk goed. En daarom noemen wij deze God onze God, die ons uit het slavenland bevrijd heeft, die ons geleidt naar een land van belofte, een wereld waar het goed is voor alle mensen.
Zo is dat. Zo zal het zijn.
 
*4 A.w. 317
 
 
Alex van Ligten

Deel dit