Vrijzinnig geloven

 

VVP

Overdenking zondag 10 januari

Overdenking zondag 10 januari

Nel Verburg is op zondag 10 januari voorgegaan in de Houtrustkerk. Omdat de kerkdiensten zonder bezoekers worden uitgevoerd heeft zij de overdenking opgestuurd. Deze kunt u lezen terwijl u de dienst beluistert via kerkomroep.
 
Lezing: Marcus 1:1-11 en Lucas 7:18-23
Lezing: Een tekst van Huub Oosterhuis, uit de bundel Handgeschreven. Verzamelde gedichten1950-2020
 
Overweging
 
Een zo goed als nieuw jaar ligt voor ons. Het heeft iets van een schone lei.
Maar heel wat bladzijden van onze agenda's zijn al ingevuld. Het zal morgen vast niet heel anders zijn dan het twee weken geleden was. Vreugde zal er zijn en verdriet: 'goede tijden, slechte tijden'. Blij zullen wij zijn om kinderen die worden geboren, bedroefd om dierbaren die sterven. Verlangend zullen we uitzien naar het einde van het Coronatijdperk. Verbaasd zullen we blijven om de traagheid, waarmee de volkeren de weg gaan van vrede en welvaart voor alle mensen. Ondanks dat ‘meer van hetzelfde’, is er toch een diepe behoefte om de jaarwisseling te vieren, het verglijden van de tijd. Misschien is die behoefte er juist omdat we beseffen hoe kwetsbaar ons leven is, hoe broos ons geluk. Omdat we weten dat we eigenlijk maar weinig weten en moeten afwachten wat 2021 ons zal brengen.

Wachten is niet onze sterkste kant. Een mens die wacht is een mens met een tekort of gemis, een mens die niet vervuld is van zichzelf. Als hij of zij alles zou hebben, dan zou er immers niet gewacht hoeven worden. Wie zegt dat hij alles heeft wat hij wil en niets meer nodig heeft, hoeft ook nergens naar uit te zien. Dan worden we nergens warm of koud meer van. Zij die gesetteld zijn wachten niet.

Maar zou wachten dan toch ook iets moois kunnen hebben? Ja, als we van wachten verwachten kunnen maken. Op de grootste, diepste en mooiste dingen in de wereld moeten we wachten. Die kunnen we niet afdwingen, zoals we bijvoorbeeld liefde niet af kunnen dwingen. Die kunnen we alleen geven en ontvangen. Het gaat erom dat wachten te kunnen verdragen, te doorleven. Zij die niet kunnen wachten, missen veel. Volgens het woordenboek heeft verwachten vele betekenissen: afwachten, begeren, benieuwen, denken, hopen. Maar er is nog een betekenis van verwachten: ervan uitgaan dat hij of zij komt.

Ervan uitgaan dat hij komen zou, dat deed Johannes ook. Johannes, die vreemde man. Zoon van een moeder die onvruchtbaar was en inmiddels te oud geworden om nog een kind te krijgen. Zoon van een vader die niet meer in wonderen geloofde en negen maanden met stomheid geslagen was. Tot het kind geboren was. Johannes is zijn naam. Die naam betekent: God kent genade. Een wonderkind. Volwassen geworden trok hij in zijn mantel van kameelhaar de woestijn in, waar hij sprinkhanen en wilde honing at. Een buitenbeen, een vreemde snuiter,
een roepende in de woestijn.


Maar een mens vol verwachting: Maak de weg van de Ene recht. Begin een nieuw leven, want Gods nieuwe wereld is dichtbij. Johannes zette de gevestigde orde op zijn kop. Hij doopt mensen, maar niet voordat hij de bijl aan de wortel van het kwaad legt. Iedere boom die geen goede vrucht draagt, zal worden omgehakt,
zei hij. Johannes was geen zachte heelmeester, hij hield niet van de doofpot.
Hij was een puinruimer. Alleen maar mooie woorden roepen, maar er niet naar handelen, was niet zijn stijl. Hij wilde dat mensen een nieuw leven zouden beginnen, zich omkeren, het goede doen. Dan zal deze aarde nieuwe aarde worden, dan zal het licht winnen en komt de Eeuwige ons tegemoet.

Wij verwachten een wereld van een andere orde, een gerechtigheid die allen omvat. En, soms tegen beter weten in, blijven we vertrouwen dat zo’n wereld mogelijk is, ook al wijst alles op het tegendeel.
Een wereld voor mensen van verschillende komaf, geaardheid, levenslot.
Een wereld als een huis met grote ramen en een tuin van groen
waar vriendschap bloeit als blauwe regen
waar brood gedeeld wordt, poëzie gezongen,
waar uitgedroogde bronnen na een tijd
weer levend water geven – waar ieder welkom is.

Ervan uitgaan dat Hij gekomen is. Wie dan? Iemand aan wie we snel aanstoot nemen. Johannes zei over hem: ik ben het niet waard de riem van Zijn sandalen los te maken. Dat was het werk van een slaaf. Zo groot was zijn waardering, zo hoog zijn verwachtingen van deze Jezus. Maar in de gevangenis ging hij toch twijfelen. Hij zat in het donker en toen wist hij het niet meer. Er gebeurde immers niets.
De wereld was nog steeds vol onrecht, waar hij zelf het levende bewijs van was. Gearresteerd omdat hij koning Herodes aangesproken had op zijn gedrag.
Ook Herodes moest zijn paden recht maken, maar daar voelde hij erg weinig voor. Die boodschap stond hem niet aan en daarom liet hij de boodschapper opsluiten.

Johannes zat vast en waarschijnlijk zal hij wel vermoed hebben dat dit niet goed af zou lopen. En wie er ook kwam, Jezus niet. Die deed verlamden weer lopen,
maar liet Johannes zitten waar hij zat. Hij opende de ogen van de blinden, maar de poort van de gevangenis bleef dicht. Die liep over het water, maar nooit in Johannes’ richting. Johannes had op een koning gerekend, maar daar lijkt Jezus allesbehalve op. Toch zegt hij niet tegen zichzelf: ‘Jammer, ik heb me vergist.
Die nieuwe wereld waar ik zoveel over gesproken heb, is een sprookje.
Mooi verhaal, maar een fabeltje. Johannes trok geen conclusie, hij stelde een vraag: Bent u het die komen zou, of moeten wij een ander verwachten? Herodes nam aanstoot aan Johannes woorden, Johannes nam aanstoot aan Jezus’ zwijgen.
Zoals ook wij aanstoot kunnen nemen aan het radicale en vreemde van Jezus’ boodschap over het koninkrijk waar gerechtigheid woont, Gods nieuwe wereld.
Is er immers sindsdien iets veranderd in de wereld? Staat de krant nu vol goed nieuws? Er kunnen periodes in ons leven zijn, waarin wij zo graag antwoord zouden krijgen, maar het oorverdovend stil blijft. Wij roepen naar de Eeuwige: waarom? En hopen op een hemels ‘daarom’. Wat niet komt, want de hemelse logica is anders dan de aardse. In ons denken zijn er op de vraag: ‘Bent U het die komen zou, of moeten wij een ander verwachten?’ slechts twee antwoorden mogelijk. Ja, dat ben ik, of: nee, dat ben ik niet. Geen van beide antwoorden wordt gegeven. Wat dan wel?

Kijk om je heen, en zie het antwoord daar. Het ligt voor het oprapen.
Blinden kunnen weer zien, verlamden weer lopen, melaatsen worden gereinigd en doven kunnen weer horen, doden worden opgewekt, aan armen wordt het goede nieuws bekendgemaakt.’ Kijk, Johannes en alle anderen met een hart vol vragen, kijk naar wat je alleen kunt zien als je je niet blind staart op je eigen onmacht, als je verder wilt kijken dan de muren van je eigen wereldje, als je het donker achter je laat. Zie wat er gebeurt. De Eeuwige komt bij hen die niet mee kunnen in de vaart der volkeren, bij de verachten, de naamlozen. Daarin wil hij zichtbaar worden,
net zoals in die stal in Bethlehem. Daar ontving Hij zijn gasten. Mensen die niet wisten wat hen overkwam. Herders, zonder enige status. Eerst zij en pas daarna de drie koningen uit het oosten. Aan een God die zulke wonderlijke antwoorden geeft, kunnen we gemakkelijk aanstoot nemen. Maar gelukkig degene die dat niet doet. Die zich nog kan verwonderen en blijft dromen van een nieuwe zachte aarde voor ons allen.

Kunnen we die wereld anders nog, argeloos, als voor het eerst, voor mogelijk houden? Verwachten we die nog? Is er een weg daarheen? Is die begaanbaar?
Ja, maar niet gemakkelijk. Cynisme dooft alles wat licht geeft, apathie leidt tot bij de pakken neer zitten, moedeloosheid geeft een nieuw begin geen kans.

Misschien durven we die weg niet gaan, uit angst dat het een doodlopende zal zijn. Hoe meer een mens verwacht, hoe pijnlijker het is als niet gebeurt wat zo gehoopt werd. Deze wereld lijkt zo weinig op de wereld zoals God die bedoeld heeft.
We zingen al jaren over vrede op aarde, maar nog steeds vallen er bommen, zijn er ziekten die niet te genezen zijn, is de honger de wereld niet uit.



Of misschien kiezen we liever een ander pad. Want op de weg die de man van Nazareth gewezen heeft, lopen we niet alleen. Daar komen we ook al die blinden, verlamden, zieken, doven en armen tegen. We worden zelfs gevraagd hen op te zoeken. De vreemde, dolende zielen welkom te heten. De Eeuwige heeft zich immers onlosmakelijk aan hen verbonden. In hen toont Hij zichzelf en de weg die wij te gaan hebben. De weg van de naastenliefde, van het omzien naar hen die het, op welke manier dan ook, moeilijk hebben. De Eeuwige spreekt tot ons door onze naasten. Door de vreemde snuiters, de eenzamen, de zwervers, de vluchtelingen. Hij leeft in de gestalte van de mensen om ons. Midden onder ons. Hij is ons rakelings nabij.

Als we onze blik alleen richten op alles wat er mis is en gaat in ons leven en in onze wereld, sluiten we ons ook af voor alle goeds, voor alles wat waardevol is.
Dan blijven we in het donker zitten en missen we het wonder. Want nog steeds bestaat de liefde, doet hoop leven, is er vriendschap en compassie, zijn er mensen die ervaren dat zij gedragen worden door een zachte kracht. Dat zijn de tekenen van Gods aanwezigheid in deze wereld.

Hij is er ook in de woestijn. Het verhaal van de doop van Jezus kunnen we lezen tegen de achtergrond van het boek Exodus. In dat boek staat beschreven hoe het volk Israël uit Egypte, het land waar zij een slavenbestaan leidden, trok. Zij gingen door het water van de Rietzee en kwamen in de woestijn. Een barre tocht, maar overdag was de Ene bij hen in een wolkkolom en ’s nachts in een vuurzuil. Nadat Jezus gedoopt was in het water van de Jordaan dreef de Geest hem de woestijn in, waar hij door Satan op de proef gesteld werd. En engelen zorgden voor hem, staat er dan. Ook toen liet de Eeuwige hem niet alleen.

De bijbel staat vol verhalen over menen die niets meer van het leven verwachtten en al helemaal niet meer van hun God, maar juist hen zoekt hij op. Jakob, Hagar, Elia. Juist aan zulke mensen heeft de Eeuwige zich verbonden, in die verwachting mogen wij leven. Hij wil deel van ons leven zijn, hoe dat leven er ook uit ziet.
Niet hoog en breed van ons vandaan, maar onzegbaar ons nabij. Een God die draagt en dient. Zijn Naam zegt het al: ik zal er zijn.

De kern van geloven is: je aangesproken voelen door iets wat achter de grens van je begrip ligt en proberen daarop te antwoorden. Geloven is niet overal een afdoend antwoord op weten, het is wel de goede vragen durven stellen en proberen zelf een antwoord te zijn. Dat sluit de twijfel niet uit.


Johannes twijfelde ook, maar als Jezus zijn vraag gehoord heeft, zegt hij:
Geloof mij: onder de mensenkinderen is niemand groter dan Johannes. Ja, kunnen we dan denken, natuurlijk, dat is logisch. Johannes twijfelde wel, maar hij was ook een moedig mens en dat ben ik niet. Ik durf mensen niet aan te spreken, ik houd mijn mond over mijn idealen en dromen, en zeker over mijn geloof in een andere werkelijkheid dan deze zichtbare. Johannes krijgt terecht een ereplaats, maar ik ben Johannes niet. Maar Jezus was nog niet uitgepraat, hij vervolgt zijn uitspraken over Johannes en zegt: Toch is de geringste in Gods nieuwe wereld groter dan hij.
We krijgen allemaal een plaats.Ook de twijfelaars, de teleurgestelden, zij die bang zijn.

We wachten op wat 2021 ons zal brengen, maar dat hoeft geen twijfelachtig wachten te zijn, in de zin van: we zullen er het beste maar van hopen. Nee, wij mogen erop vertrouwen: de Eeuwige is met ons. In ons leven, in onze wereld.
Wij zijn geen volmaakte mensen, onze wereld is niet volmaakt. In alles zit een barst, maar juist daardoor kan het licht binnen komen.

Ja, de weg is begaanbaar en we gaan die niet alleen. Er is een gaan
van handen, harten, niemand weet hoeveel –. soms zie je, even, en gelooft je ogen.

Laten we daarom dit afspreken: geen andere woorden te vertrouwen
dan die ons gaande houden en doen denken
dat het bestaanbaar is, een wereld anders.
En die ons stuurt daarheen noemen wij god.
Wij spreken af geen ander te verwachten.

Amen.
 

Nel Verburg

 

Deel dit