PROVINCIALE VERENIGING VAN VRIJZINNIGE PROTESTANTEN GRONINGEN

"Ik geloof in mezelf"

Het Meer van Galilea.

“Het is weer voorbij die mooie zomer”, Gerard Cox bezong het ooit. Voorbij is de zomer nog niet maar wat was ie warm, droog en anders dan anders. Hoe je het ook wendt of keert door de pandemie is alles anders. Ook de zomer. Ook de Bijbel, of de leeservaring? Zoals bij het volgende verhaal uit Matteüs.

Direct na het verhaal over de spijziging van de vijfduizend mannen (plus de vrouwen en de kinderen), heeft Jezus, het is al avond, behoefte aan een moment van rust en bezinning. Hij wil alleen zijn. Daarom vraagt hij de leerlingen voor hem uit naar de overkant van het Meer van Galilea te varen en ook de menigte weg te gaan.

Matteüs 14:22-33

Meteen daarna gelastte hij de leerlingen in de boot te stappen en alvast vooruit te gaan naar de overkant, hij zou ook komen nadat hij de mensen had weggestuurd. Toen hij hen weggestuurd had, ging hij de berg op om er in afzondering te bidden. De nacht viel, en hij was daar helemaal alleen. De boot was intussen al vele stadiën van de vaste wal verwijderd en werd, als gevolg van tegenwind, door de golven geteisterd. Tegen het einde van de nacht kwam hij naar hen toe, lopend over het meer. Toen de leerlingen hem op het meer zagen lopen, raakten ze in paniek. Ze riepen: ‘Een spook!’ en schreeuwden het uit van angst. Meteen sprak Jezus hen aan: ‘Blijf kalm! Ik ben het, wees niet bang!’ Petrus antwoordde: ‘Heer, als u het bent, zeg me dan dat ik over het water naar u toe moet komen.’ Hij zei: ‘Kom!’ Petrus stapte uit de boot en liep over het water naar Jezus toe. Maar toen hij voelde hoe sterk de wind was, werd hij bang. Hij begon te zinken en schreeuwde het uit: ‘Heer, red me!’ Meteen strekte Jezus zijn hand uit, hij greep hem vast en zei: ‘Kleingelovige, waarom heb je getwijfeld?’ Toen ze in de bood stapten, ging de wind liggen. In de boot bogen de anderen zich voor hem neer en zeiden: ‘U bent werkelijk Gods Zoon!’

Het verhaal uit Matteüs speelt zich af in de duisternis, na het vallen van de avond. Het is een beeld voor alleen zijn, en voor gevoelens van verlatenheid. Wat hier in Matteüs geschetst wordt, kan een verwijzing inhouden naar de situatie van de jonge kerk na Pasen. Als volgelingen van Jezus verder met elkaar onderweg zijn, maar zonder Jezus en met forse tegenkrachten. Ongetwijfeld zal dit in de jonge gemeente momenten van onzekerheid teweeggebracht hebben.

Hoe gaan wij het nieuwe seizoen in? We hebben geen gezamenlijke Pinksterdienst gehad in Scheemda. Er is geen buitendag dit jaar. Door de ongewisheid van de actuele situatie gaan wij als provinciale vereniging met de gemeenten van Fivelgo, het Witte Kerkje, en de aangesloten verenigingen Scheemda-Winschoten en Westerkwartier, de mensen van de gespreksgroep in Vlagtwedde, ook een bijzonder onzekere periode tegemoet. Er is de dreiging van ‘een tweede golf’ terwijl we allemaal nog aan het bijkomen zijn van ‘de eerste golf’. Ieder van ons weet wat die eerste golf voor hem of haar en zijn of haar dierbaren heeft betekend en nog steeds doet. Sociaal, emotioneel, economisch etc. etc. Wat een impact!

Tegen het einde van de nacht, wanneer het dus weer licht wordt, verschijnt Jezus aan de leerlingen terwijl hij over het meer naar hen toe loopt. Zodra Petrus Jezus herkent, voelt hij zich gesterkt en wil hij Jezus over het water tegemoet gaan. Petrus stapt uit en loopt naar Jezus toe. Maar hij begint te zinken. De woeste zee, de hoge golven waarover Petrus probeert te lopen; het zijn de golven die ons bestaan soms zo ontzettend moeilijk en zwaar maken. De actuele golven van angst, woede, verdriet en grote bezorgdheid. “Krijgen we weer een lockdown en mag ik straks weer geen bezoek hier in het verzorgingstehuis ontvangen?” “Zal ik als negentigplusser nog een coronavrije tijd mee gaan maken?” We worden al zo beperkt. Al maanden mogen we elkaar niet aanraken. We kunnen elkaar geen hand geven, niet ter begroeting of om iemand te feliciteren of te condoleren. Een troostend gebaar waarbij we iemand aanraken kan niet meer. Wat een gemis!

Jezus strekt zijn hand uit en grijpt de hand van Petrus, hem daarbij ‘kleingelovige’ noemend. Wat onaardig. Petrus probeerde het toch? Hij had toch vertrouwen, maar dat vertrouwen nam af terwijl hij over het water begon te lopen. Alsof hij lopend opnieuw onder de indruk raakt van de natuurkrachten. Dat is toch hartstikke menselijk? Twijfelen, onzeker zijn, we kennen het toch allemaal. Het is toch niet mogelijk om gedurende deze pandemie een standvastig geloof of vertrouwen te hebben? En we weten tegelijkertijd ook dat we niet zonder geloof, zonder vertrouwen kunnen.

Hierbij kunnen we elkaar helpen, als kleine vrijzinnige gemeenschappen. Die nu wel of niet samenkomen. Door elkaar te bellen, elkaar te spreken op gepaste afstand in de tuin of op de veranda, in de straat voor de supermarkt. Ook in de diensten. Er is weliswaar geen koffietafel na de dienst, maar mensen lossen dat goed op door vanaf de zitplaats in de kerk links, rechts, voor en achter met deze en gene te praten. Voor de dienst en na de dienst. Op die manier proberen we elkaar te bemoedigen. En we kunnen ook meer vertrouwen krijgen door een kerkdienst zelf, een Bijbeltekst, het luisteren naar een lied en daardoor beter op de tekst te letten, een gebed, het stiltegebed, het samen hardop bidden van het Onze Vader. En op onverwachte momenten.

Tijdens de eerste les dit nieuwe schooljaar aan een vierde klas middelbare scholieren gingen we een overzicht maken van de religiositeit van de leerlingen. “Schrijf op een briefje waarin jij gelooft.” Zonder de naam toe te voegen, vouwden de leerlingen het briefje op en gingen we op het bord een overzicht maken van de verschillende antwoorden. Iets, christendom, wetenschap, reïncarnatie, niets waren vooral de antwoorden. Ik opende ook vijf keer een briefje met het antwoord: Ik geloof in mezelf! Als een olievlek verspreidde de kracht van dit antwoord zich over de klas en de docent!

Door Greta Huis

Deel dit