Irenekerk

Dietrich Bonhoeffer

DIETRICH BONHOEFFER

Afgelopen april werd door enkele kerkenraads- en gemeenteleden van de Irenekerk een bijeenkomst bijgewoond in Culemborg, die als doel had om de Duitse anti-Hitler dominee Dietrich Bonhoeffer te gedenken, die op 9 april 1945 opgehangen werd, enkele weken voor het einde van de Tweede Wereldoorlog. Deze bijeenkomst luidde het begin van het ‘project’  Bonhoeffer in, dat doorloopt tot half 2020. Veel kerken gaan hem herdenken. Ook de Irenekerk gaat dit doen en daarom ga ik wat dieper op zijn werk en leven in, want hij had een veelbewogen leven.

Hij werd geboren op 4 februari 1906 samen met zijn tweelingzus Sabine. Ze waren het zesde en zevende kind in het gezin Bonhoeffer, dat uiteindelijk acht kinderen zou hebben. In huize Bonhoeffer, een aristocratische en professorenfamilie, heerste een warme familieband. Dietrich groeide op ten tijde van de Eerste Wereldoorlog, een oorlog die alleen al van Duitse zijde miljoenen levens kostte. Ook de familie Bonhoeffer ontkwam niet aan verliezen, drie neven en Dietrichs broer Walter sneuvelden.

Dietrich wist al op jonge leeftijd dat hij predikant wilde worden. Een keuze, die zijn broers en zusters maar eigenaardig vonden, want zij hadden niet veel op met de kerk. Zijn moeder daarentegen begreep haar zoon wel, want haar vader was eveneens predikant. Zij was ook degene, die aan de jonge Dietrich bij zijn belijdenis de Lutherbijbel van zijn gesneuvelde broer gaf. Die Bijbel zou hij altijd bij zich houden.

Door de droevige verliezen ontstond bij Dietrich de vraag naar de bron van het leven. De situatie na de Eerste Wereldoorlog was voor Duitsland uitzichtloos (o.a. door de grote herstelbetalingen die Duitsland aan andere landen moest geven).

In 1924 begon Bonhoeffer zijn theologische opleiding aan de universiteit van Tübingen, maar daarmee was de theoloog nog geen christen in hart en nieren. Dat besef kwam pas later. Samen met zijn broer Klaus, die net was afgestudeerd als jurist, maakte hij in datzelfde jaar, van april tot juni, een studiereis naar Rome en raakte daar onder de indruk van de liturgie.

In 1927 rondde hij zijn dissertatie af over de sociale betekenis van de kerk als samenleving. Daarna ging hij op verzoek naar Barcelona, waar hij in het bijzonder belangstelling koesterde voor de kinderdienst en het jeugdwerk, (en dat 100 jaar geleden). In 1929, 23 jaar oud, was Bonhoeffer al gepromoveerd tot doctor in de godgeleerdheid en ontving hij de bevoegdheid om aan de universiteit te doceren. Maar Bonhoeffer bleef zijn roeping tot predikant voelen, wat echter gezien zijn jonge leeftijd nog niet bereikbaar voor hem was. In 1930 ging hij naar Amerika voor een studiereis. Daar leerde hij een Franse pastor kennen, die hem op de Bergrede van Jezus wees, die wij kunnen lezen in de hoofdstukken 5, 6 en 7 van het Mattheüs-evangelie. Nu pas begreep Dietrich wat er stond: Navolging van Christus. Zijn geloofsbeleving intensiveerde. In 1937 schreef hij een boek met dezelfde titel. In 1931 kwam hij in aanraking met rassenhaat. Gedurende zijn verblijf in Amerika woonde hij de zondagsdienst bij in een Afro-Amerikaanse kerk in de wijk Harlem, wat diepe indruk op hem maakte. In 1931 keerde hij terug naar Duitsland. Zijn vaderland stond toen al op de rand van de chaos. Het militarisme kwam op. Maar Bonhoeffer riep op tot pacifisme. Aan de christen is iedere krijgsdienst en iedere voorbereiding tot oorlog verboden. In 1933 werd Hitler rijkskanselier. De familie Bonhoeffer voelde al dat het oorlog zou worden. Dietrich hield een radiotoespraak ‘De Führer en de jonge generatie’. Maar de toespraak werd echter voortijdig uit de ether gehaald. Een paar maanden later volgde de oproep om niet bij Joden te kopen. Maar Julia Bonhoeffer, Dietrichs grootmoeder, weigerde aan dat bevel te gehoorzamen en ze deed gewoon haar boodschappen in de winkel waar ze altijd gewend was te kopen. Er kwamen steeds nieuwe wetten, waardoor Joden uit de samenleving werden uitgesloten. Dietrich werd voor een zware keuze gesteld toen de schoonvader van zijn tweelingzus Sabine was overleden en Dietrich werd gevraagd om de begrafenis te verzorgen. De man van Sabine was Joods, maar bezocht de synagoge nauwelijks. Bonhoeffer werd nu voor de eerste maal geconfronteerd met de vraag: “Pleeg ik verzet of niet?” Sabines kinderen waren christelijk gedoopt. Een oude kerkelijke bepaling verbood ook nog eens het leiden van begrafenissen van ongedoopte mensen. Een bepaling, die een extra lading kreeg vanwege de opkomst van het nationaalsocialisme. Dietrich was zonder meer fel tegenstander van de Jodenvervolging, maar hij durfde het verzoek van zijn tweelingzus niet zomaar in te willigen. Uiteindelijk pleegde hij alsnog overleg met kerkelijke autoriteiten, die hem ten stelligste afraadden om aan het verzoek te voldoen, gezien het ongunstige politieke klimaat. In de hoogste regionen van de kerk heerste vanaf het prille begin angst, waardoor men vermeed zich te verzetten tegen de maatregelen van Hitler. Bonhoeffer gehoorzaamde aan zijn superieuren, maar na afloop van de dienst kreeg hij er toch spijt van dat zijn angst in dezen situatie sterker was geweest dan zijn geloof.

Maar er bevonden zich meer Joden in zijn omgeving. Zijn vriend Franz Hildebrandt en de Joodse assistenten van zijn vader, een psychiater en hoogleraar neurologie. De vervolging van de Joden in Duitsland vormde dan ook de belangrijkste drijfveer voor het politieke verzet.

Als gevolg van de Neurenberger wetten (1935) werd de Ariërparagraaf van kracht. Er mochten geen mensen van onzuiver ras op de kansel staan. Joodse christenen werden uitgesloten uit de kerkelijke gemeenschap. De kerk zag zichzelf niet als voorvechter van het jodendom. Men was van mening dat zaken, die onder de overheid vielen, geen inmenging behoorde te hebben van de kerk. Bonhoeffer verzette zich hiertegen, maar hij ondervond geen bijval. Hij vertrok naar Londen om daar twee kerkgemeenten te leiden. Hij kwam in contact met de Duitse ambassadeur Theodoor Lang, die Bonhoeffer behulpzaam was bij acties voor joodse vluchtelingen. Ook zijn contacten met bisschop George Bell werden intensiever. Ondertussen pleitte Dietrich voor pacifistisch verzet. Hij vond dat christenen nooit de wapenen op elkaar mochten richten. Een houding, die hem nooit vergeven zou worden. Zo raakte hij zijn leerbevoegdheid aan de Universiteit van Berlijn kwijt.

In 1935 kwam de definitieve afsplitsing van de Deutsche Evangelische Kirche tot stand. In september werd de Bekennende Kirche (Belijdende Kerk) opgericht en Bonhoeffer werd gevraagd een seminarie op te richten om eigen predikanten op te leiden. Men moest zijn “Een navolger van Christus”. De kerk was pas kerk als zij er was voor anderen. Er werd een plek gevonden ‘Finkenwalde’. Hier realiseerde Bonhoeffer iets wat eigenlijk niet denkbaar was binnen het protestantisme. Hij creëerde een gemeenschapsleven met vaste dagindeling, gebed en meditatie, gesprekken en vrije persoonlijke biecht. Het verwijt ontstond dat hij te veel neigde naar het katholieke begrip van een kloostergemeenschap. Maar dat was niet de bedoeling. Hij wilde dat aanstaande predikanten in echt christelijke zin deelnamen aan het volle leven en dan was onderlinge steun nodig. Via dit seminarie kwam ook het eerste contact tot stand tussen Dietrich en Maria von Wedemeyer, zijn latere verloofde.

Er werd een synode gehouden. Er werd geen uitspraak door de Deutsche Evangelische Kirche  gedaan over niet-kerkelijke Joden. De uitspraak hierover werd uitgesteld. Bonhoeffer betreurde dit en schreef het boek ‘Navolging’. De Evangelische  Kirche zweeg ook over de uitbarsting van geweld tegen Joden tijdens de Kristallnacht op 9 november 1938. Winkelruiten werden kapotgeslagen en synagogen werden in brand gestoken. De kerk was geen voorvechter van het jodendom. Bonhoeffer nam afstand van de staatskerk en bleef bij  de Bekennende Kirche

Er kwam een memorandum van vriend Hildebrandt samen met Bonhoeffer. Het antisemitisme en de Jodenhaat werden genoemd en ook het bestaan van concentratiekampen. Twee leerlingen besloten een memorandum vanuit het buitenland te publiceren. Enige tijd daarna werden ze gearresteerd. In 1937!! zouden er al 27 studenten van Bonhoeffer voor kortere of langere tijd worden vastgezet. Hildebrandt wist te ontkomen naar Engeland. Finkenwalde werd gesloten als gevolg van de arrestaties. De groepen verspreidden zich over een groter gebied.

Op 20 april 1938 werd voor alle actieve predikanten in de protestantse kerk verplicht om de eed van trouw af te leggen aan de Führer. Aangezien Bonhoeffer niet meer actief predikte, ontkwam hij aan die eed. In 1939 werd hij opgeroepen voor militaire dienst. Zou de kerk achter hem blijven staan als hij dienst weigerde? Toen kwam er een uitnodiging om les te gaan geven aan universiteiten in Amerika. Door bemiddeling van zijn vader werd het keuringsbevel ingetrokken en kreeg Dietrich de benodigde reispapieren. Echter snel kwam Dietrich in conflict met zichzelf. Mocht hij wel vluchten nu er in zijn vaderland zoveel ellende was? Hij aanvaardde de risico’s, die hij kon lopen en keerde na vijf weken al terug. In 1940 werd de opleiding van jonge theologen in Finkenwalde voorgoed verboden door de Gestapo en ook kreeg Bonhoeffer een spreekverbod opgelegd. Hij ging ‘Ethiek’ schrijven, maar lang zou hij niet op de achtergrond blijven.

De moeilijkste beslissing, of hij wel of niet in het verzet zou gaan was bij een gesprek met Hans Oster (vriend) en zijn zwager Hans van Dohnanyi (beiden werkzaam voor de Abwehr). Daarin werd geopperd dat Hitler niet alleen afgezet moest worden, maar desnoods omgebracht. In eerste instantie schrok Bonhoeffer van deze uitspraak. Toch stemde hij uiteindelijk in met het plan. Hij ging werken voor de Abwehr, een dienst voor contraspionage, die onder leiding stond van Admiral Wilhelm Canaris.  Zijn opdracht luidde: “Via de kerken contant leggen met de geallieerden”. Daarvoor reisde hij vele malen naar Zwitserland, vanwaar hij zijn contacten probeerde uit te breiden via bisschop Bell en Willem Visser

’t Hooft van de Wereldraad van Kerken. Maar Bonhoeffer deed meer. Vanaf 19 september werd de verordening van kracht dat alle Joden een gele ster moesten dragen. Bonhoeffer verzamelde berichten over de Jodentransporten om deze vervolgens door te spelen naar de militairen, die bezig waren met een samenzwering tegen Hitler. Tegelijkertijd ging ‘Unternehmen 7’ van start (op initiatief van Canaris), dat tot doel had om een groep, bestaande uit 7 Joden, vermomd als agenten van de Duitse contraspionage naar Zwitserland te smokkelen. De groep groeide uiteindelijk uit tot 15 Joden. Bonhoeffer zel: “Wij zijn Christus niet, maar we willen wel christenen zijn. Passief afwachten en toekijken zijn geen christelijke houdingen” (boek ‘Verzet en Overgave’). In 1942 ging Dietrich weer op reis en wel naar Noorwegen. Daar stimuleerde hij de lutheranen door te gaan met hun kerkelijk verzet. Daar volgde nog een reis naar Zweden en Zwitserland. Een opdracht o.a. van Hans van Dohnanyi. Ze wilden dat Bonhoeffer de Engelse regering ging verzoeken om in geval van de genoemde couppleging de nieuwe Duitse regering de kans te geven om eerst het land te zuiveren. Hij mocht zelfs de namen noemen van allen, die bij de couppoging betrokken waren. Tevergeefs.

Er vond weer een ontmoeting plaats met Maria von Wedemeyer en in 1943 verloofden zij zich. Maar er kwam een crisis in de Abwehr. Er waren onregelmatigheden ontdekt met deviezen en er vonden arrestaties plaats. De namen Dohnanyi en Bonhoeffer werden genoemd, waarbij de laatste als onmisbaar werd aangewezen. Een predikant die onmisbaar zou zijn voor een militaire organisatie, wat de Abwehr toch was. Op 5 april werd Bonhoeffer gearresteerd, evenals Hans van Dohnanyi en zijn vrouw Christine, zwager en zuster van Dietrich, maar ook dr. Josef Müller en zijn vrouw Maria, die de verbinding vormde tussen de Abwehr en het Vaticaan. Dietrich werd naar de Tegelgevangenis gebracht. Het ontbrak hem aan alles. Hij werd gekweld door de vraag, of hij de mishandelingen en verhoren wel zou kunnen verdragen zonder zijn vrienden te verraden. Hij overwoog als optie zelfmoord.

Het onderzoek tegen hem richtte zich vooral op zijn reizen en de vrijstelling van de dienstplicht. Pas na de aanslag en staatsgreep van 20 juli 1944 door Claus Schenk von Stauffenberg viel Bonhoeffer ook de aanklacht hoog- en landverraad ten deel. Hij begreep dat hij nooit meer zou vrijkomen en legde zich neer bij zijn noodlot. Hij kreeg nog een gelegenheid om te vluchten, maar toen Dietrich hoorde dat zijn zwager Dohnanyi naar kamp Sachsenhausen werd gebracht en dat ook zijn oudere broer Klaus en zijn zwager Rudiger Schleicher gevangen waren genomen, gaf hij dit plan op. Hij wilde niet dat zijn familie in nog meer problemen zou komen. Bonhoeffer kreeg wat meer bewegingsvrijheid en gaf aandacht en zorg aan medegevangenen. Zijn leidraad bleef de Bergrede, men moest het leven waarderen als een schepping van God. Hij vroeg zichzelf af: “Hoe zal de volgende generatie verder leven?” Het christelijk geloof leidde hem naar het verzet en schonk hem tevens de moed die nodig was om werkelijk in het verzet te gaan en op het einde bood zijn geloof ook de berusting om zijn lot te ondergaan. In februari 1945 werd hij naar Buchenwald en vandaar naar Flossenburg getransporteerd, waar hij werd berecht en opgehangen – vonnis hoogverraad. Met hem werden ook Hans Oster en Wilhelm Canaris en nog 4 anderen opgehangen.

Bonhoeffer heeft veel geschreven. Heel bekend zijn ‘Bruidsbrieven uit de cel’(1943-1945). Dat boek bevat de brieven, die de verloofden (Dietrich en Maria) aan elkaar schrijven. Zij schrijven over muziek, delen met elkaar de gevoelens, die ze hebben bij de gedichten, die ze gescheiden en toch samen lezen en spreken elkaar liefdesverklaringen toe. Ook heel bekend is ‘Verzet en overgave’. Met de ernst en de scherpte van een terdoodveroordeelde denkt hij na over de toekomst van de christenen, over de mondigheid van de mens en over een areligieus christendom en de plaats van de kerk in de wereld.

Mijn vader (FvS) heeft zeker deze boeken gelezen, want de naam Bonhoeffer kende ik als kind al.

Toch werd Bonhoeffer niet onmiddellijk vereerd als verzetsheld. Zeker niet door de kerk. Zij stelde dat de kerk nooit een aanslag als die van de 20e juli kon goedkeuren. De aanslag betrof een politieke kwestie en kon niet religieus-ethisch gerechtvaardigd worden. Als op

6 april 1953 in de kerk van Flossenburg een onthulling plaatsvindt van de gedenkplaat ter ere van Dietrich Bonhoeffer, weigert de Beierse landbisschop om daarbij aanwezig te zijn. Het ging volgens hem om een politieke martelaar. Gelukkig is dit standpunt herzien. Men kwam tot de slotsom dat de mannen van de 20e juli vanuit lutherse geloofsopvatting hooguit het verwijt kunnen maken dat ze te laat hebben ingegrepen. Dat werd het keerpunt voor het respect dat thans geldt voor Dietrich Bonhoeffer.

Frouk van Santen

Deel dit